ECLI:NL:RBMNE:2025:114
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens vermeende arbeidstijdfraude vernietigd; ontbindingsverzoek afgewezen wegens opzegverbod
De zaak betreft een geschil tussen een administratief medewerkster en haar werkgever, een assurantie- en adviesbureau, over een ontslag op staande voet en een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De werkgever had de werknemer op 3 september 2024 op staande voet ontslagen wegens vermeende arbeidstijdfraude, gebaseerd op gegevens uit systemen die e-mail-, telefoon- en WhatsApp-verkeer registreerden. De werknemer betwistte de fraude en stelde dat de systemen niet alle werkzaamheden konden vastleggen. De kantonrechter oordeelde dat de gegevens onvoldoende bewijs boden voor een dringende reden tot ontslag op staande voet, mede vanwege het vertrouwen en de goede prestaties van de werknemer.
Het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen omdat de werknemer tijdens ziekte en zwangerschap viel onder een opzegverbod. Hoewel er sprake leek van een vertrouwensbreuk, was dit onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen. De werkgever werd veroordeeld tot doorbetaling van loon vanaf 1 september 2024 en tot betaling van proceskosten.
Het verzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat het ontslag niet rechtsgeldig was. De uitspraak werd op 17 januari 2025 door kantonrechter C.J.M. Hendriks in Utrecht uitgesproken.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen vanwege opzegverbod.