De statutair directeur werd op 8 februari 2024 ontslagen door de raad van commissarissen van de vennootschap. Hij stelde dat het ontslag onterecht was, dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat het ontslagbesluit nietig of vernietigbaar was. De rechtbank oordeelde dat de raad van commissarissen bevoegd was tot het ontslag en dat er geen sprake was van tegenstrijdig belang of schending van hoorrecht, raadgevende stem of adviesrecht van de ondernemingsraad.
De directeur had een overeenkomst van opdracht met de vennootschap, geen arbeidsovereenkomst. Hoewel enkele factoren zoals persoonlijke uitvoering en non-concurrentiebeding wezen op een arbeidsovereenkomst, woog de positie en zeggenschap van de directeur als statutair bestuurder en aandeelhouder zwaarder. Dit maakte de verhouding atypisch voor een arbeidsovereenkomst.
De rechtbank concludeerde dat het ontslagbesluit rechtmatig was en wees de vorderingen van de directeur af. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten. De vennootschap hoeft geen rectificatie te versturen en hoeft de directeur niet te herbenoemen of toegang te verlenen tot gebouwen en systemen.