Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] N.V.,
2.
[gedaagde sub 2] N.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was sinds 1979 in dienst bij de gemeente en later bij bedrijf 1 N.V., waarvan de activiteiten en aandelen zijn overgenomen door gedaagde sub 1 N.V. In 2010 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 2011 werd beëindigd en werd bepaald dat de CAO van bedrijf 1 van toepassing bleef op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. De USZO-regeling bepaalt dat de berekeningsgrondslag wordt geïndexeerd volgens salariswijzigingen in die CAO.
Eiser vordert dat gedaagden de bovenwettelijke uitkering indexeren volgens de CAO OV, die na 2006 van toepassing werd op het rijdend personeel van bedrijf 1, maar niet op indirect personeel zoals eiser. Gedaagden verzetten zich hiertegen en stellen dat de CAO van bedrijf 1 leidend is en dat er sinds 2006 geen salariswijzigingen meer zijn geweest in die CAO.
De kantonrechter oordeelt dat alleen gedaagde sub 1 partij is bij de vaststellingsovereenkomst en dus aansprakelijk is. De vaststellingsovereenkomst en USZO-regeling bepalen dat indexatie alleen plaatsvindt bij salariswijzigingen in de CAO van bedrijf 1. Omdat die CAO sinds 2006 niet meer is aangepast en de CAO OV niet op eiser van toepassing is, is er geen recht op indexatie. Het beroep op dwaling en onvoorziene omstandigheden faalt omdat eiser bijgestaan was en de situatie bekend was. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot indexatie van de bovenwettelijke uitkering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.