ECLI:NL:RBMNE:2025:5241
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bevestigd zonder verminderde verwijtbaarheid
De minister legde eiseres een boete op van €9.375 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Deze overtredingen betroffen het laten verrichten van arbeid door twee vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen en het niet verstrekken van afschriften van identiteitsdocumenten aan inleners.
Na een controleperiode van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021 constateerden inspecteurs dat eiseres deze voorschriften had overtreden. Eiseres voerde aan dat zij de identiteitskaarten niet als vals kon herkennen en dat andere instanties de kaarten ook niet als vals hadden beoordeeld. Desondanks stond vast dat zij arbeid had laten verrichten zonder vergunningen en dat zij de identiteitsdocumenten niet had verstrekt.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen verminderde verwijtbaarheid kon inroepen, omdat zij als werkgever de verantwoordelijkheid draagt om de echtheid van identiteitsbewijzen te controleren volgens het door de minister opgestelde stappenplan. De zichtbare afwijkingen in de documenten hadden door eiseres kunnen worden onderkend. Ook het feit dat andere instanties de documenten niet als vals hadden herkend, ontslaat haar niet van deze verantwoordelijkheid.
De rechtbank concludeerde dat de minister de boete terecht had vastgesteld en dat de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven tot matiging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg het griffierecht niet terug.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €9.375 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en wijst het beroep van eiseres af.