ECLI:NL:RBMNE:2025:5610

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/568
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WW-uitkering ondanks fout UWV

Eiseres ontving onterecht een WW-uitkering over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024, naast een toegekende Ziektewet-uitkering. Het UWV erkende de fout en besloot tot terugvordering van €4.714,70. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat haar persoonlijke omstandigheden en de rol van het UWV onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank overwoog dat hoewel de fout van het UWV vervelende gevolgen voor eiseres heeft, het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld zwaarder weegt. De terugvordering betreft een dubbele betaling die niet onnodig is opgelopen, mede doordat het UWV de fout snel herstelde en een betalingsregeling is getroffen.

De rechtbank concludeerde dat er geen dringende reden is om af te zien van terugvordering. Ook het niet controleren van bankafschriften door eiseres leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.M. Man),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 heeft teruggevorderd. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiseres heeft op 26 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Met het besluit van 9 april 2024 is aan eiseres medegedeeld dat zij geen nieuwe WW-uitkering krijgt, maar dat de WW-uitkering die is ingegaan op 1 juli 2022 blijft doorlopen. Verder is eiseres erop gewezen dat zij mogelijk een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) kan krijgen.
1.2.
Met het besluit van 24 juni 2024 is aan eiseres per 21 juni 2024 een ZW-uitkering toegekend. Over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 heeft eiseres ook uitbetaling van de WW-uitkering ontvangen.
1.3.
Met het primaire besluit van 22 augustus 2024 heeft het Uwv beslist dat eiseres de
WW-uitkering die over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 is uitbetaald moet terugbetalen. Het gaat om een bedrag van € 4.714,70.
1.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 juni 2025. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Standpunten van partijen
2.1.
Eiseres is het niet eens met de terugvordering en is van mening dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Eiseres voert aan dat haar persoonlijke omstandigheden en de eigen rol van het Uwv onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging. Op de zitting heeft eiseres nader toegelicht dat haar persoonlijke omstandigheden zijn gelegen in de inkomensdaling waar zij mee te maken heeft, de problemen met haar werkgever en de verrekeningen tussen het loon en de WW-uitkering. Gelet op de inkomensdaling, het feit dat sprake was van een stressvolle periode en dat zij slachtoffer is van de toeslagenaffaire, komt de terugvordering extra hard aan bij eiseres. Eiseres heeft verder toegelicht dat zij in dezelfde periode te maken had met loonbetalingen en -terugvorderingen vanuit haar ex-werkgever waardoor sprake was van een onoverzichtelijke situatie. Gelet daarop kon zij redelijkerwijs niet weten dat er te veel WW-uitkering betaald was, zo stelt eiseres.
2.2.
Het Uwv erkent dat er een fout is gemaakt door het Uwv, door over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 WW-uitkering uit te betalen, terwijl deze uitkering had moeten worden gestopt. Dit maakt volgens het Uwv echter niet dat afgezien moet worden van terugvordering. Eiseres had volgens het Uwv kunnen weten dat er een fout was gemaakt. Ook ziet het Uwv geen dringende reden om niet terug te vorderen. Ten aanzien van de financiële gevolgen geeft het Uwv aan dat gebruik gemaakt kan worden van een betalingsregeling, waardoor de gevolgen van de terugvordering beperkt worden.
Beoordelingskader
2.3.
Uit artikel 36, eerste lid, van de WW volgt dat een uitkering die door het Uwv onverschuldigd is betaald, door het Uwv word teruggevorderd. Uit het zesde lid van die bepaling volgt verder dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2.4.
In zijn uitspraak van 18 april 2024 heeft de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), [1] de uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. [2]
2.5.
Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld.
Beoordeling door de rechtbank
2.6.
In dit geval heeft het Uwv erkend dat door zijn fout eiseres met ingang van 21 juni 2024 zowel een ZW- als een WW-uitkering heeft ontvangen, in plaats van uitsluitend een ZW-uitkering. Het Uwv heeft verder op de zitting bevestigd dat eiseres niets te verwijten valt. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het Uwv daar met het oog op de belangenafweging ten onrechte niet het gevolg aan heeft verbonden dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten worden afgezien. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zij licht dat hierna toe.
2.7.
De rechtbank begrijpt dat de door het Uwv gemaakte fout zeer vervelende gevolgen voor eiseres heeft. Eiseres wordt daardoor immers met de terugvordering van een aanzienlijk bedrag geconfronteerd, met alle financiële complicaties en stress die dat voor eiseres meebrengt. Daar staat tegenover het belang van de rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld, dat meebrengt dat moet worden terugbetaald wat teveel is ontvangen. Eiseres had het bedrag van € 4.714,70 immers nooit gekregen als het Uwv de WW-uitkering wel op tijd had beëindigd. Het gaat hier in feite om een dubbele betaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het belang van terugvordering in dit geval zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om niet met de gevolgen van de terugbetaling te worden geconfronteerd. Zoals het Uwv heeft opgemerkt is nooit geheel uit te sluiten dat er fouten worden gemaakt, hoe ongelukkig soms ook. Van belang is dat het Uwv in het geval van eiseres zijn fout snel heeft hersteld door de uitbetaling van de WW-uitkering per 31 juli 2024 alsnog te stoppen en de ten onrechte uitbetaalde WW-uitkering terug te vorderen. [3] Gelet hierop is de periode waarover ten onrechte WW-uitkering is betaald beperkt gebleven tot iets meer dan een maand, en is het terugvorderingsbedrag niet onnodig opgelopen. De financiële gevolgen van de terugvordering zijn verder beperkt gebleven door de betalingsregeling die eiseres met het Uwv getroffen heeft voor de terugbetaling van dat bedrag. Van een onevenredige uitkomst van de belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het Uwv heeft dus tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan WW-uitkering kunnen besluiten.
2.8.
Dat eiseres door de stressvolle periode die zij doormaakte niet steeds haar bankafschriften heeft gecontroleerd en daardoor niet heeft gezien dat zij te veel geld van het Uwv heeft ontvangen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft er op zichzelf begrip voor dat door de stressvolle periode voor eiseres en de verschillende geldstromen waar zij mee te maken had, voor eiseres sprake was van een onoverzichtelijke situatie. Echter laat dat onverlet dat het niet controleren van haar bankafschriften voor haar rekening en risico dient te komen. Als eiseres dat wel had gedaan had voor haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij van het Uwv een duidelijk hoger bedrag had ontvangen, en dat er dus teveel was uitbetaald.

Conclusie en gevolgen

3.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van feiten of omstandigheden die een dringende reden opleveren op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering van de WW-uitkering die eiseres ten onrechte over de periode 21 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 heeft ontvangen. Het beroep is ongegrond.
3.2.
Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt daarom haar griffierecht niet terug. Er is ook geen aanleiding voor een vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2114.
3.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 10 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:582.