Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Samenvatting
.Eiseres krijgt deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De verklaring van de wettelijke vertegenwoordiger van eiseres op 3 november 2021
12. De Afdeling heeft in een uitspraak van 24 december 2024 [3] , onder verwijzing naar een arrest van 6 september 2024 van de Hoge Raad [4] , geoordeeld dat de betrokken overheidsinstantie degene tegen wie strafvervolging is ingesteld in elk geval moet hebben geïnformeerd over zijn recht op bijstand door een raadsman voordat deze persoon voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord. [5] Dit betekent dat voor het moment waarop de betrokkene gewezen moet worden op het recht op bijstand door een raadsman, wordt aangesloten bij het moment waarop de cautie moet worden gegeven. Uit eerdere rechtspraak [6] volgt dat de cautieplicht bestaat indien naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat een betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie.
Werkgeverschap en omvang van de overtredingGrensoverschrijdende dienstverrichting
Omvang van de overtreding: is er sprake van tien werknemers of van zes werknemers?
19. De rechtbank vindt dat verweerder op basis hiervan op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres in de onderzoeksperiode tien werknemers via [bedrijf 1] heeft ingezet. De verklaring van de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres van 3 november 2021 geeft ook geen aanwijzing dat deze factuur en urenstaten niet zouden kloppen. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat in dit gesprek ook op geen enkele manier de juistheid van deze factuur is betwist. De op 22 maart 2024 overgelegde factuur 2, gedateerd 29 april 2021, met daarbij handgeschreven arbeidstijdenregistraties en de op 24 januari 2025 overgelegde creditnota, gedateerd van 3 november 2021, werpen geen ander licht op de conclusie over het aantal werknemers dat is ingezet in de onderzoeksperiode. Op factuur 2 wordt niet vermeld op welke periode het bedrag betrekking heeft en voor welke specifieke werkzaamheden het bedrag wordt gefactureerd. Dat hieruit zou volgen dat factuur 1 onjuist zou zijn, kan dan ook niet worden vastgesteld. Verweerder heeft in dit kader ook mogen betrekken dat factuur 1 volledig is betaald, alsmede dat - terwijl factuur 2 is gedateerd op 29 april 2021 - de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres op 3 november 2021 niets over een tweede factuur verklaard heeft. Wat betreft de creditnota heeft eiseres gesteld dat dit het sluitstuk vormt van de administratieve afhandeling van de volgens haar onjuiste factuur 1, waarbij ten onrechte kosten voor 10 werknemers in rekening zijn gebracht in plaats van zes. De rechtbank vindt dat ook dit stuk niet aan de juistheid van factuur 1 af kan doen. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat deze creditnota in een zeer laat stadium is ingebracht en dat vóór het overleggen ervan steeds is ontkend dat er een dergelijk stuk was. Hierbij komt dat in de creditnota wordt verwezen naar het nummer van factuur 2, waarvan dus niet kan worden vastgesteld dat deze verband houdt met factuur 1. De beroepsgrond slaagt niet.
Functioneel daderschap20. Eiseres betoogt dat, voor zover er al voldoende bewijs is voor een overtreding, zij niet als functioneel dader kan worden aangemerkt. Hiertoe voert zij aan dat de inschakeling van de werknemers is gebeurd door [bedrijf 1] in samenwerking met de Sloveense ondernemingen. Ten aanzien van het controleren en bewaren van de identiteitsgegevens van de werknemers was het voor eiseres niet duidelijk dat dit nodig was, nu hij niet bekend was met de werknemers die [bedrijf 1] zou gaan inschakelen.
21. De rechtbank volgt dit betoog evenmin. Volgens vaste rechtspraak [10] geldt in de Wav een ruim werkgeversbegrip. Dat een vreemdeling in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid heeft verricht is voor het aannemen van feitelijk werkgeverschap al voldoende. De ruime uitleg van het werkgeversbegrip in de Wav brengt mee dat instemming met of wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist is en dat alleen het mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan als het laten verrichten van arbeid wordt opgevat. Gelet op het voorgaande maken de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet dat zij niet als werkgever als bedoeld in de Wav kan worden aangemerkt. Zij kan daarmee als overtreder van de in artikel 2 en Pro 15 van de Wav opgenomen bepalingen worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie werkgeverschap en overtredingen22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft bewezen dat eiseres de tien overtredingen van de artikelen 2, eerste lid, en 15 van de Wav heeft begaan. Verweerder was daarom bevoegd om een boete op te leggen.