ECLI:NL:RVS:2023:391
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door onrechtmatige tewerkstelling
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante] een boete van €8.000,00 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning. De vreemdeling, met Iraanse nationaliteit, had werkzaamheden verricht zoals het afruimen van tafels en het sorteren van kassabonnen.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het boeterapport voldoende bewijs leverde dat arbeid was verricht. De stelling van [appellante] dat geen arbeid was verricht en dat de vreemdeling onder druk had verklaard, werd verworpen.
De Afdeling achtte [appellante] ernstig nalatig en stelde vast dat zij de identiteit en arbeidsrechtelijke status van de vreemdeling niet had gecontroleerd, wat grove schuld opleverde. Op basis van beleidsregels werd de boete verlaagd naar 75% van het normbedrag, namelijk €6.000,00.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het eerdere besluit over de boetehoogte werd herroepen en de boete definitief vastgesteld op €6.000,00. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan [appellante].
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt verlaagd en vastgesteld op €6.000,00.