ECLI:NL:RBMNE:2025:6497

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/5002 en UTR 24/5020
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit Uwv over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering

In deze zaak heeft eiseres, die als klantmanager sociale zaken werkte, een beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv waarin zij als volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht. Eiseres was eerder uitgevallen wegens gezondheidsklachten en had een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv had in eerdere besluiten vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar na een nieuwe aanvraag werd haar een WIA (WGA)-uitkering toegekend. Na bezwaar van eiseres tegen dit besluit, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, wat leidde tot het instellen van beroep door eiseres.

De rechtbank heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat het Uwv voldoende gemotiveerd had dat er geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Eiseres voerde aan dat het Uwv ten onrechte had afgezien van een hoorzitting en dat de medische beoordeling onvolledig was. De rechtbank oordeelde dat het Uwv terecht had afgezien van een hoorzitting, omdat eiseres en haar gemachtigde akkoord waren gegaan met een beoordeling op basis van de dossierstukken. De rechtbank concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende informatie had om tot een oordeel te komen en dat de beperkingen van eiseres niet duurzaam waren.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in strijd was met de Awb, maar dat dit gebrek niet tot benadeling van eiseres had geleid. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierechten aan eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter J.A. Spee op 10 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/5002 en UTR 24/5020

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres 1] , uit [woonplaats] , eiseres (UTR 24/5002) derde partij in UTR 24/5020

[eiseres 2], (ex-)werkgever (UTR 24/5020)
derde partij in 24/5002
gezamenlijk aan te duiden als eisers
(gemachtigde: E.M. Hendrikson),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J. Voorn).

Inleiding

1. Eiseres heeft gewerkt als klantmanager sociale zaken bij de (ex-)werkgever voor 32 uur per week. Zij is op 20 november 2011 uitgevallen wegens belemmerende gezondheidsklachten. Zij heeft bij het Uwv per einde van de wachttijd een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.1.
Met het besluit van 3 oktober 2013 heeft het Uwv besloten dat eiseres per 17 oktober 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres op 13,11% bepaald.
1.2.
Vervolgens heeft eiseres bij (ex-)werkgever gewerkt als senior bestuurs- en managementassistent voor 24 uur per week. Zij is op 24 december 2021 uitgevallen wegens belemmerende gezondheidsklachten. Zij heeft bij het Uwv per einde van de wachttijd opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd.
1.3.
Met het besluit van 15 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres per 22 december 2023 een WIA (WGA)-uitkering toegekend. Zij wordt op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt geacht.
1.4.
Nadat eisers bezwaar hebben gemaakt tegen dit besluit, is opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat zij het primaire oordeel volgt. Met de beslissing op bezwaar van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Zij hebben daarbij overgelegd: een rapportage van bedrijfsarts en niet-praktiserend verzekeringsarts [A] (de bedrijfsarts) en (medische) informatie. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 april 2025 overgelegd. De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen gevoegd. [1]
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, vergezeld door de bedrijfsarts en de gemachtigde van het Uwv. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld om een gewijzigde functionele mogelijkheden lijst (FML) op te stellen, geldig vanaf 23 november 2023, die uitvoering geeft aan de toevoegingen door de verzekeringsarts op 13 februari 2024. Het Uwv heeft op 21 mei 2025 de gewijzigde FML aangeleverd. Eisers hebben de gelegenheid gekregen hierop schriftelijk te reageren, waarvan zij gebruik hebben gemaakt.
1.6.
De rechtbank heeft partijen op de hoogte gesteld dat de zaak is toebedeeld aan een andere behandeld rechter en – nadat partijen hadden aangegeven dat zij niet nader op een zitting gehoord wilden worden – bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 14 augustus 2025 heeft zij het onderzoek gesloten.

Geheimhouding

2. Omdat eiseres geen toestemming heeft gegeven om medische stukken aan de (ex-)-werkgever toe te zenden, heeft de rechtbank medische stukken naar de door eisers ingeschakelde gemachtigde gestuurd. [2] Om te voorkomen dat medische gegevens via deze uitspraak alsnog bekend worden, zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken.

De beoordeling door de rechtbank

3. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank beoordelen of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld. Daarbij gaat het om de gezondheidssituatie van eiseres op 22 december 2023 (de datum in geding). Eisers voeren gronden aan ten aanzien van het afzien van een hoorzitting en de medische beoordeling.
Heeft het Uwv ten onrechte afgezien van een hoorzitting?
4. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, moet aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden worden om te worden gehoord. [3] Van het horen kan worden afgezien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. [4]
5. Eisers hebben aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. De zaak had niet enkel op basis van de dossierstukken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep mogen worden afgedaan. Het Uwv heeft hen onjuist en onvolledig voorgelicht. Tijdens het telefoongesprek op 4 juni 2024 heeft het Uwv niet gesproken over het afzien van een hoorzitting. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij hadden verwacht dat er nog een hoorzitting zou volgen, of in ieder geval contact opgenomen zou worden met bijvoorbeeld de bedrijfsarts. Dit omdat de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een verschil van inzicht hadden. Door het ongevraagd afzien van de hoorzitting is er volgens eisers onzorgvuldig en onvolledig gehandeld om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen.
6. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat zij eisers wel voldoende hebben voorgelicht over de mogelijkheid van een hoorzitting en de gevolgen van het wel of niet houden van een hoorzitting. Het Uwv heeft daarbij gewezen op de inhoud van het telefonisch contact op 4 juni 2024, wat blijkt uit de KCC-contacthistorie. De medewerker bezwaar en beroep heeft telefonisch met de gemachtigde van eiseres besproken dat voor een aanpassing van de FML een hoorzitting aangewezen is, maar daarvoor een langere wachttijd is. Hierbij is ook besproken dat een uitgebreidere FML niet zal leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid die hoger is dan de al vastgestelde 80-100%. Een inhoudelijke heroverweging over een eventueel recht op een IVA-uitkering kon wel op de stukken worden afgedaan. Eisers hebben vervolgens in de e-mail van 5 juni 2024 naar aanleiding van dit telefoongesprek aangegeven dat zij zich kunnen vinden in het voorstel van het Uwv dat de beoordeling over een IVA wordt gedaan op basis van de aangeleverde stukken. Gemachtigde van eisers heeft daarbij aangegeven hiermee akkoord te gaan vanwege de lange wachttijden en de emotionele belasting van eiseres, wat haar gezondheid niet ten goed zou komen.
7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft afgezien van een fysieke hoorzitting met een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eisers hebben in de e-mail naar aanleiding van het telefoongesprek met de medewerkers bezwaar en beroep aangegeven dat de beoordeling ten aanzien van de IVA-claim kon worden gedaan op basis van de aangeleverde stukken. Dat gemachtigde van eiseres hiermee niet expliciet heeft bedoeld om af te zien van een hoorzitting voor eiseres, kan de rechtbank niet volgen. Immers, in de e-email worden omstandigheden aangevoerd waarom een hoorzitting te belastend zou zijn voor eiseres en de e-mail sluit bovendien aan bij het gesprek wat op 4 juni 2024 heeft plaatsgevonden en waarvan de notities door het Uwv zijn overgelegd. Als gemachtigde een voorbehoud had willen maken, dan had het bovendien in de reden gelegen dit in de e-mail op te merken. Het Uwv heeft niet onzorgvuldig gehandeld en heeft de op hem rustende verplichting om eiseres te horen niet geschonden.

De medische beoordeling

8. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat de rapporten die over eiseres zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
9. Eisers hebben aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het onderzoek onvolledig heeft weergegeven. Eiseres is niet gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en ook heeft zij geen contact opgenomen met de bedrijfsarts.
Fysiek spreekuur
10. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat in de fase van bezwaar een spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep moet plaatsvinden als de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist én in de primaire fase geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts heeft plaatsgehad. [5] Uit deze rechtspraak volgt dus niet dat in bezwaar opnieuw een spreekuurcontact met een verzekeringsarts had moeten plaatsvinden. Eiseres heeft in het kader van de WIA einde wachttijd beoordeling het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de beschikbare medische gegevens in het dossier voldoende waren om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen. Ook kan ervan worden uitgegaan dat het medisch toestandsbeeld per datum in geding vergelijkbaar was met de datum spreekuur van de primaire verzekeringsarts. Dit gezien de aard en ernst van de problematiek van eiseres. De rechtbank kan deze beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen en is van oordeel dat het Uwv daarmee op dit punt niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
Contact opnemen met de bedrijfsarts
11. De rechtbank overweegt dat een verzekeringsarts volgens vaste rechtspraak [6] in principe mag afgaan op zijn eigen oordeel als het gaat om het vaststellen van beperkingen, als hij meent dat hij voldoende informatie heeft om zich een oordeel te vormen over de medische situatie van betrokkene. Raadpleging van de behandeld sector is slechts aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, of als de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Beide punten zijn hier niet aan de orde. De bedrijfsarts is niet de behandelaar van eiseres, dus met haar hoefde volgens deze vaste rechtspraak geen contact te worden opgenomen. Verder had de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende informatie over de medische behandelingen en beschikte zij over het standpunt van de bedrijfsarts. Dat de verzekeringsarts en de bedrijfsarts verschilden van inzicht over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, maakt niet dat daaruit een verplichting ontstaat voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep om met de bedrijfsarts contact op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op dit punt zorgvuldig heeft gehandeld.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
12. Allereerst hebben eisers er op gewezen dat uit het telefoonrapport van 13 februari 2024 blijkt dat de primaire verzekeringsarts de beperkingen ten aanzien van het sociaal functioneren zoals beschreven in de FML van 13 september 2013 zal toevoegen aan de FML geldig vanaf 23 november 2023. Met de brief van 14 februari 2024 heeft het Uwv deze aanvullingen bevestigd aan eiseres door haar het telefoonrapport van 13 februari 2024 toe te sturen. Er is toen volgens eiseressen echter ten onrechte geen gewijzigde FML opgesteld.
13. Het Uwv heeft naar aanleiding van de afspraken die op de zitting zijn gemaakt op 21 mei 2025 een gewijzigde FML, geldig vanaf 23 november 2023, aangeleverd. In deze FML zijn de besproken beperkingen en toelichtingen aangepast. Het betreft het toevoegen van de beperkingen op items 2.6.1 en 2.12.6 en het wijzigen van de toelichting bij de beperkingen op items 2.6.1, 2.8.1, 2.12.1, 2.12.2 en 2.12.6. Eisers hebben aangegeven akkoord te zijn met de gewijzigde FML. De gewijzigde FML leidt – zoals reeds duidelijk was – niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, omdat de arbeidsongeschiktheid van eiseres al was vastgesteld op 80-100%.
14. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met de aangepaste FML, pas in beroep is voorzien van een toereikende onderbouwing. De primaire verzekeringsarts, had benoemde aanpassingen van de FML al daarin moeten verwerken. Immers, pas dan is ook bij een latere beoordeling bijvoorbeeld in de bezwaarfase of bij een herbeoordeling duidelijk welke beperkingen er voor eiseres zijn aangenomen. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak ingaan op de gevolgen van dit gebrek.
15. Eisers voeren aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid (ook inhoudelijk) niet juist heeft vastgesteld. Volgens de bedrijfsarts is er bij haar wel sprake van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (GBM) conform de criteria van het Uwv. De bedrijfsarts concludeert dit op basis van een combinatie van ernstig persoonlijk en sociaal disfunctioneren van eiseres én een continue energetische disbalans als gevolg van de aanwezige ziektebeelden. De bedrijfsarts geeft aan dat er in de FML extra beperkingen moeten worden opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beperkingen in de FML had moeten opnemen of had moeten motiveren waarom zij dat niet heeft gedaan.
15. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapportage van 18 juni 2024 de rapportage van de bedrijfsarts meegenomen. Daarbij heeft zij overwogen dat een FML een instrument is voor het berekenen van inkomstenverlies in het kader van de WIA-beoordeling. De door de bedrijfsarts genoemde aanvullende beperkingen betreffen een uitvoerige beschrijving van de al aangenomen beperkingen. Bij eiseres is verder geen sprake van ernstige beperkingen voor zelfstandig en doelmatig handelen. Deze beperkingen worden gebruikt om eventuele arbeidsgeschiktheid op medische gronden te beschrijven. Eiseres zorgt voor zichzelf, heeft een dag-/nachtritme, zorgt voor de kinderen en doet taken in het huishouden. Er is daardoor dus geen sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal. Haar activiteiten zijn afhankelijk van haar energie, daarvoor is een zware beperking gesteld.
15. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij de fysieke belastbaarheid van eiseres in kaart heeft gebracht. Vanwege de verminderde energetische belastbaarheid van eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een verdergaande urenbeperking gehanteerd. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak [7] dat het enkele feit dat de bedrijfsarts meer beperkingen heeft aangenomen dan neergelegd zijn in de door de verzekeringsarts opgestelde FML niet leidt tot het oordeel dat de FML door het Uwv onjuist is vastgesteld. Voor zover de bedrijfsarts uitgaat van verdergaande beperkingen, ontbreekt hiervoor een onderbouwing.

Zijn de beperkingen duurzaam?

18. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. [8]
19. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. [9] De verzekeringsarts moet zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts beoordeelt dit volgens drie stappen van het stappenplan volgens het vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen’. Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Ook als niet alle stappen van het beoordelingskader zijn gezet, is niet al daarom sprake van een motiveringsgebrek, als in dat concrete geval het besluit is voorzien van een deugdelijke motivering.
20. Eisers hebben aangevoerd dat de beperkingen van eiseres wel duurzaam zijn. Dit omdat de behandelingen niet veel effect zullen hebben in het komend jaar / de komende jaren en omdat het verloop van het ziektebeeld heel onzeker is. Er had een prognostische FML opgesteld moeten worden. Het ziektebeeld van eiseres is progressief, haar gezondheid is verslechterd. Behandeling zal daarom niet tot verbetering leiden.
20. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts een onvolledig beeld heeft gehad van haar medische situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 18 juni 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen van eiseres niet duurzaam zijn. Daarbij is aandacht besteed aan de concrete situatie van eiseres en voldoende onderbouwd dat eiseres nog behandelmogelijkheden heeft. Ten tijde van de datum in geding had zij wekelijks behandelingen voor de psychische klachten. Daarnaast had eiseres ergotherapie om beter om te kunnen gaan met de klachten en sport eiseres onder begeleiding om de kracht te verhogen en voor het uithoudingsvermogen. Vanwege deze behandelingen is verbetering van zowel de psychische als fysieke belastbaarheid nog te verwachten. Overigens heeft de bedrijfsarts zelf ook aangegeven dat verdere behandeling beschikbaar is en er op punten verbetering in de klachten van eiseres kan optreden.

Conclusie en gevolgen

22. Het bestreden besluit is, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gelet op de aangepaste FML pas in beroep voorzien van een toereikende medische onderbouwing. Dit besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het is echter niet aannemelijk dat eisers daardoor benadeeld zijn. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat het Uwv hier in de besluitvorming reeds inhoudelijk rekening mee had gehouden en eiseres op basis van de aangepaste FML 80-100% arbeidsongeschikt blijft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
23. Vanwege het passeren van het motiveringsgebrek, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt. Eisers krijgen ook een vergoeding van de proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eisers hebben in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.461,-.
23. Eisers hebben ook verzocht om vergoeding van de kosten van de inzet van bedrijfsarts [A] van [onderneming] B.V. Eisers hebben de volgende kosten opgegeven: voor de medische toelichting in bezwaar van 22 april 2024 een bedrag van € 2.307,08 inclusief BTW (14 uur tegen een uurtarief van € 136,19) en voor de medische toelichting in beroep van 25 oktober 2024 een bedrag van € 2.389,46 inclusief BTW (14,5 uur tegen een uurtarief van € 136,19). Het aantal gedeclareerde uren alsook het inschakelen van deze deskundige vindt de rechtbank niet onredelijk. Het uurtarief voor het uitbrengen van de medische toelichtingen is lager dan het geldende maximum van het voor vergoeding in aanmerking komend tarief. [10] Het totaal te vergoeden bedrag voor de kosten van een deskundige komt daarom uit op € 4.696,52.
25. In totaal veroordeelt de rechtbank het Uwv dus tot betaling van een bedrag van € 7.157,52 (€ 2.461,- + € 4.696,52).

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 7.157,52;
  • draagt het Uwv op het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden;
  • draagt het Uwv op het door de (ex-)werkgever betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft dit gedaan op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dit volgt uit artikel 7:3, aanhef en onder c. van de Awb.
5.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1475.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1882.
8.Artikel 4 van de Wet WIA.
9.Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:557.
10.Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts).