ECLI:NL:RBMNE:2025:6697

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 22/4852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

WIA-uitkering aan ex-werkneemster en geschil over arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 7 november 2025, in de zaak tussen [eiseres] B.V. en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, staat de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster centraal. De rechtbank oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de ex-werkneemster per 20 januari 2022 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiseres, de werkgever, is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiseres, die onder andere aanvoert dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet correct is vastgesteld en dat de ex-werkneemster niet voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank volgt echter het oordeel van het Uwv en de Centrale Raad van Beroep, die eerder hebben geoordeeld dat de ex-werkneemster op 23 januari 2020 arbeidsongeschikt is geworden. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de ex-werkneemster recht heeft op de WIA-uitkering. Eiseres krijgt geen gelijk en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.E. König),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: J.R. Staarthof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) die aan een ex-werkneemster van eiseres is toegekend. Volgens het Uwv is de ex-werkneemster van eiseres volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan de ex-werkneemster een WIA-uitkering heeft toegekend per 20 januari 2022, waarbij de ex-werkneemster volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is bevonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Ex-werkneemster [A] (hierna: de ex-werkneemster) werkte als [functie] voor ongeveer 15 uur per week in dienst bij eiseres. Het dienstverband is middels een vaststellingsovereenkomst beëindigd per 1 augustus 2020. Binnen vier weken na de beëindiging van het dienstverband heeft de ex-werkneemster zich met terugwerkende kracht ziek gemeld. Het Uwv heeft de ziekmelding beoordeeld en de eerste arbeidsongeschiktheid dag uiteindelijk vastgesteld op 23 januari 2020. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft de ex-werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 3 februari 2022 heeft het Uwv aan de ex-werkneemster per 20 januari 2022 een WIA-uitkering toegekend. Volgens het Uwv is de ex-werkneemster volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
2.1 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Met het besluit van 5 september 2022 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, en heeft aanvullende gronden en aanvullende stukken ingediend. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Nadien heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat de rechtbank de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de ex-werkneemster in het kader van de Ziektewet kan betrekken bij haar oordeel. [1]
2.4
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 16 september 2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van het bestreden besluit
3. Het Uwv heeft aan de ex-werkneemster van eiseres een WIA-uitkering toegekend. Het Uwv legt hieraan ten grondslag dat de ex-werkneemster van eiseres op 20 januari 2022 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Gelet op de beperkingen die de verzekeringsarts heeft aangenomen vanwege de klachten van de ex-werkneemster, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen functies kunnen duiden. Volgens de verzekeringsarts is deze volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam.
Toetsingskader
Geheimhouding medische gegevens
4. De ex-werkneemster heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan eiseres te verstrekken. De rechtbank heeft het verzoek van de gemachtigde van eiseres om bijzondere toestemming te verlenen – zoals bedoeld in artikel 8:32 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht – bij tussenbeslissing van 31 januari 2024 afgewezen. In deze uitspraak zal daarom zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van de ex-werkneemster om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Beroep door een (ex)-werkgever5. Uit vaste rechtspraak [2] van de CRvB volgt dat als de werkgever de mate of duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk dient te motiveren.
Beoordelingsmoment
6. De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van de ex-werkneemster op de datum in geding. Deze datum is in dit geval 20 januari 2022, nu dat volgens het Uwv de datum einde wachttijd voor het aanvragen van de WIA-uitkering is.

Beoordeling van de beroepsgronden van eiseres

Eerste arbeidsongeschiktheidsdag en datum einde wachttijd
7. Eiseres voert aan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet 23 januari 2020, maar 27 april 2020 moet zijn. Daarom was op 20 januari 2022 de wachttijd van 104 weken voor de WIA nog niet doorlopen, en is dus ten onrechte per die datum een WIA-uitkering aan de ex-werkneemster toegekend. Eiseres wijst er in dat verband op dat de ex-werkneemster zichzelf in augustus 2020 per 27 april 2020 heeft ziekgemeld. Eiseres verwijst ter onderbouwing verder naar de rapporten van bedrijfsarts [B] van 26 mei 2023 en 29 februari 2024. Bovendien is de ex-werkneemster volgens eiseres na 23 januari 2020 niet doorlopend arbeidsongeschikt gebleven. Daarbij wijst eiseres op social media activiteiten van de ex-werkneemster, waaruit volgt dat zij medio 2020 vrijwilligerswerk deed en dagjes weg ging. Ook om die reden is eiseres het niet eens met 20 januari 2022 als datum einde wachttijd voor de WIA, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eiseres.
7.1
Het Uwv voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 maart 2022 heeft gemotiveerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 23 januari 2020 is en dat de ex-werkneemster daarna in ieder geval 104 weken arbeidsongeschikt is gebleven.
7.2
De rechtbank stelt vast dat eiseres deze beroepsgrond ook heeft aangevoerd in de procedure in het kader van het toekennen van een uitkering op grond van de Ziektewet aan deze ex-werkneemster. De CRvB heeft in die procedure geoordeeld [3] dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de ex-werkneemster per 23 januari 2020 ongeschikt voor haar arbeid is geworden en dat ook gedurende 104 weken is gebleven. Daartoe heeft de CRvB overwogen dat uit informatie van de huisarts blijkt dat de ex-werkneemster zich op die datum met zowel toegenomen lichamelijke als psychische klachten heeft gemeld bij de huisarts. De huisarts heeft expliciet vermeld dat de ex-werkneemster als gevolg van haar klachten weer ziek was, zo niet kon functioneren en haar werk niet kon volhouden en dat sprake was van een terugslag. De bevindingen van de huisarts zijn bevestigd door de revalidatiearts op 31 januari 2020 en 10 februari 2020. Gelet op de toegenomen beperkingen kon de ex-werkneemster de belastbaarheid in haar functie van [functie] op onder meer de punten lang zitten en concentratie niet opbrengen. Na die datum is de ex-werkneemster steeds onder begeleiding van de huisarts gebleven en heeft zij onder meer vanaf januari 2021 een revalidatietraject gevolgd wegens bijgekomen klachten in april 2020. In april/mei 2021 zijn daar (toegenomen) lichamelijke klachten bijgekomen.
7.3
De rechtbank zal het oordeel van de CRvB ook in deze procedure volgen. De rechtbank gaat er dus ook in deze procedure van uit dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de ex-werkneemster terecht is vastgesteld op 23 januari 2020 en dat terecht is vastgesteld dat de werkneemster gedurende de wachttijd voor de WIA arbeidsongeschikt is gebleven. De social media activiteiten van de ex-werkneemster waar eiseres op wijst doen daar niet aan af. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het erom gaat of de ex-werkneemster arbeidsongeschikt was voor haar eigen arbeid, nu die activiteiten plaatsvonden in het eerste ziektejaar van de ex-werkneemster. Een enkele keer een dagje weg gaan of het verrichten van vrijwilligerswerk in een andere functie dan de eigen arbeid betekent nog niet dat de ex-werkneemster op dat moment niet langer ongeschikt was voor haar arbeid, laat staan dat een eventuele onderbreking van de arbeidsongeschiktheid langer heeft geduurd dan vier weken. [4] Ook deze omstandigheden kunnen er op zichzelf dus niet toe leiden dat de wachttijd voor de WIA op 20 januari 2022 nog niet was doorlopen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
8. Eiseres heeft aangevoerd dat het onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig was. Volgens eiseres is de ex-werkneemster ten onrechte niet fysiek onderzocht door de verzekeringsarts en had de verzekeringsarts kritischer moeten zijn. Daarnaast zijn volgens eiseres ten onrechte geen nieuwe medische stukken ingebracht en is de verzekeringsarts die de WIA-beoordeling heeft gedaan dezelfde verzekeringsarts die de Ziektewet-beoordeling heeft gedaan. Hierdoor is er niet met een ‘frisse blik’ naar de medische situatie van de ex-werkneemster gekeken. Dat had wel gemoeten, zo stelt eiseres.
8.1
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunten. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [C] van 29 augustus 2022 volgt dat de ex-werkneemster tijdens de bezwaarprocedure in het kader van de WIA-beoordeling fysiek op spreekuur is gezien. Het is dus onjuist dat de ex-werkneemster niet fysiek is onderzocht door een verzekeringsarts. Daarnaast is het ook onjuist dat WIA-beoordeling en de Ziektwet-beoordeling door dezelfde verzekeringsartsen zijn gedaan. In het kader van de WIA-beoordeling sprak arts [D] de ex-werkneemster telefonisch en zag verzekeringsarts bezwaar en beroep [C] de ex-werkneemster fysiek op spreekuur. In het kader van de Ziektewet-beoordeling is de ex-werkneemster fysiek gezien door verzekeringsarts [E] . De Ziektewet- en WIA-beoordelingen zijn dus door verschillende verzekeringsartsen uitgevoerd. Verder heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk gemaakt welke medische stukken het Uwv volgens haar had moeten inbrengen die nu ontbreken, en waarom dat vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid had gemoeten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderzoek gedaan. Van een onzorgvuldig onderzoek is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
De medische beoordeling
9. Eiseres voert aan dat er teveel en/of te vergaande beperkingen voor de ex-werkneemster zijn aangenomen. Zij verwijst ter onderbouwing naar de rapporten van [B] . De aangenomen beperkingen volgen niet uit de medische stukken die het Uwv heeft ingebracht, zo stelt eiseres.
9.1
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 29 augustus 2022 motiveert dat hij zich kan vinden in de beperkingen die door de primaire arts zijn aangenomen op basis van zijn eigen onderzoek en informatie van de huisarts. Ook motiveert hij dat er aanvullende beperkingen aangenomen moeten worden vanwege de beperkte fysieke belastbaarheid van de ex-werkneemster en dat er energetische belemmeringen zijn vanwege haar chronische pijnklachten en het slecht slapen. De klachten zijn plausibel te achten en zijn consistent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 september 2023 toegelicht waarom het rapport van [B] niet maakt dat er minder en/of minder vergaande beperkingen aangenomen moeten worden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de aangenomen beperkingen bij sociaal en persoonlijk functioneren plausibel vanuit de anamnese, de gegevens vanuit de behandelend sector en ook het dagverhaal van de ex-werkneemster. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast toegelicht dat er voor neuropsychologisch onderzoek geen aanleiding was, omdat een dergelijk onderzoek gelet op de klachten en het medicijngebruik van de ex-werkneemster niet erg betrouwbaar is. De beperkingen die zijn aangenomen in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens plausibel vanuit het dossier en het eigen onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daaruit volgt dat de ex-werkneemster fysiek fors beperkt en in feite rolstoelafhankelijk is. Voor wat betreft de aangenomen urenbeperking heeft de verzekeringsarts aangegeven dat bij de ex-werkneemster sprake is van een verstoring van de energiehuishouding. De ex-werkneemster heeft namelijk een tekort aan energie als gevolg van haar medische klachten en haar medicijngebruik. De nog wel beschikbare energie wordt versneld verbruikt door een chronisch ontstekingsproces en een verhoogd activatieniveau door de pijnklachten van de ex-werkneemster, en de omstandigheid dat veel dagelijkse handelingen meer tijd vergen vanwege de rolstoelafhankelijkheid van de ex-werkneemster.
9.2
De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen en heeft geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen. Het rapport van [B] van 29 februari 2024 (dat dateert van na het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep) bevat in grote lijnen niet meer dan een herhaling van de standpunten uit het eerdere rapport van 26 mei 2023. Ook in het rapport van [B] van 29 februari 2024 ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
10. Eiseres voert aan dat met minder vergaande beperkingen wel functies te duiden zijn. Eiseres verwijst in dat kader naar een second opinion van arbeidsdeskundige [F] .
10.1
De rechtbank stelt vast dat eiseres deze beroepsgrond baseert op het bestaan van minder vergaande medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarmee bouwt deze beroepsgrond dus voort op de beroepsgrond dat er teveel en/of te vergaande medische beperkingen zijn aangenomen bij de ex-werkneemster. De rechtbank heeft onder 9.2 geoordeeld dat zij het medisch oordeel van het Uwv kan volgen. Uitgaande van de juiste vaststelling van de beperkingen van de ex-werkneemster, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de arbeidsdeskundige. Met het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep, gelezen in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige rapporten, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat voor de ex-werkneemster geen of onvoldoende functies te duiden zijn. Eiseres heeft daar verder ook geen arbeidskundige argumenten tegenin gebracht. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Re-integratie
11. Eiseres voert aan dat de ex-werkneemster en het Uwv onvoldoende re-integratie inspanningen hebben verricht en dat de ex-werkneemster daarom geen recht op een WIA-uitkering heeft.
11.1
De rechtbank stelt vast dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat de ex-werkneemster behandelingen heeft gevolgd en op de wachtlijst voor een andere behandeling stond. De ex-werkneemster is volledig arbeidsongeschikt bevonden. Tegen die achtergrond valt niet in te zien wat voor overige re-integratie verplichtingen opgelegd hadden kunnen worden. Niet is gebleken welke andere behandelmogelijkheden de ex-werkneemster had moeten benutten dan zij heeft gedaan. Dit is door eiseres ook niet voldoende concreet gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht aan de ex-werkneemster vanaf 20 januari 2022 een WIA-uitkering heeft toegekend waarbij de ex-werkneemster volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is bevonden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De uitspraak van de CRvB van 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:706.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2198.
3.De uitspraak van de CRvB van 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:706.
4.Zie artikel 23, derde lid, van de Wet WIA.