ECLI:NL:RBMNE:2025:6788

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6555
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juistheid vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van (ex-)werkneemster correct heeft vastgesteld. Eiseres betwist dat het percentage van 65,32% per 14 juni 2023 juist is en stelt dat (ex-)werkneemster verdergaand beperkt is en de geduide functies niet kan verrichten.

De rechtbank beoordeelt het medisch en arbeidskundig onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van het UWV. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft (ex-)werkneemster fysiek onderzocht en de medische gegevens zorgvuldig betrokken. De rechtbank vindt de medische beoordeling en motivering overtuigend en ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

Ook de arbeidskundige beoordeling is zorgvuldig gemotiveerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom de geduide functies binnen de belastbaarheid van (ex-)werkneemster passen. De rechtbank volgt deze motivering en wijst het beroep af.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 2 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 65,32% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6555

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: M.J.A. van den Bogaart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), eiseres
(gemachtigde: J.A. Voorn).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[(ex)werkneemster], uit [plaats] , ((ex-)werkneemster).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van (ex-)werkneemster juist heeft vastgesteld. Eiseres vindt van niet en voert aan dat (ex-)werkneemster verdergaand beperkt is en dat zij de geduide functies niet kan verrichten. Het Uwv blijft bij het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. (Ex-)werkneemster is op 3 april 2018 uitgevallen voor haar werk als [functie] voor 36 uur per week. Na het doorlopen van de wachttijd heeft
(ex-)werkneemster op 14 april 2020 een WIA-uitkering toegekend gekregen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 44,22%. Met het besluit van 12 januari 2022 heeft het Uwv (ex-)werkneemster met ingang van 31 maart 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.
2.1.
Eiseres heeft op 12 december 2022 een herbeoordeling aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv vastgesteld dat
(ex-)werkneemster 44,22% arbeidsongeschikt is gebleven. Met het primaire besluit van 26 juni 2023 is dit aan eiseres en (ex-)werkneemster medegedeeld. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.2.
Het Uwv heeft met de beslissing op het bezwaar van 16 september 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage hoger vastgesteld. Per 18 oktober 2021, de datum waarop (ex-)werkneemster is uitgevallen met toegenomen klachten, is zij 58,84% arbeidsongeschikt. Per 14 juni 2023, de datum waarop het spreekuur heeft plaatsgevonden met de verzekeringsarts, is het arbeidsongeschiktheidspercentage van (ex-)werkneemster op 65,32% vastgesteld.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld en op 5 maart 2025 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 31 oktober 2025. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv en (ex-)werkneemster deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader
3. De rechtbank moet aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordelen of het Uwv terecht heeft beslist dat (ex-)werkneemster per 14 juni 2023 voor 65,32% arbeidsongeschikt is.
3.1.
Het gaat in deze zaak om een werkgeversberoep. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen meebrengen dat verweerder een besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [1] Daarbij speelt mee dat werkgevers niet de mogelijkheid hebben om medische informatie in te brengen en dat een werkgever niet veel anders kan dan proberen aan te geven dat het onderzoek van verweerder onvoldoende is geweest of dat de door verweerder gegeven motivering het besluit niet kan dragen. [2]
Geheimhouding medische gegevens
4. ( Ex-)werkneemster heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken, om te voorkomen dat eiseres via deze uitspraak alsnog op de hoogte komt van die gegevens.
De inhoudelijke medische beoordeling
5. Eiseres heeft (samengevat) aangevoerd dat ex-werkneemster verdergaand beperkt is ten aanzien van de fysieke belastbaarheid en dat een verdergaande urenbeperking is aangewezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van het oordeel van de bedrijfsarts. Op de zitting heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 [3] en daarbij aangevoerd dat bij het objectiveren de klachten van eiseres van belang zijn.
5.1.
De rechtbank ziet in de stellingen van eiseres, zonder nadere medische onderbouwing, geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling omtrent de beperkingen en zal dat hierna toelichten.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. (Ex-)werkneemster is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een fysiek spreekuur gezien. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij op de hoogte was van de door (ex-)werkneemster gestelde klachten en hij heeft de beschikbare medische informatie bij de beoordeling betrokken. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie miste om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
5.3.
Verder overweegt de rechtbank dat uit het rapport van 17 juli 2024 naar voren komt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend is met de medische situatie van
(ex-)werkneemster en daarover uitgebreid heeft gerapporteerd. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom in de primaire Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanvullende beperkingen dienen te worden vastgelegd. De rechtbank acht de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en voldoende overtuigend gemotiveerd.
5.4.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam maakt voorgaande niet anders. In de onderhavige zaak is de verzekeringsarts bezwaar en beroep namelijk niet voorbijgegaan aan het klachtenverhaal van eiseres, maar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze klachten in samenhang gezien met de beschikbare medische gegevens en de eigen onderzoeksbevindingen. Aan de hand daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vertaalslag van de medisch objectiveerbare klachten naar arbeidsbeperkingen gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
6. Eiseres voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de functies geschikt zijn, omdat de functies de belastbaarheid van (ex-)werkneemster overschrijden en omdat niet is gekeken naar de totaalbelasting. Over de functie [functie] heeft eiseres verder aangevoerd dat deze functie niet geschikt is, omdat (ex-)werkneemster immers uit deze functie is uitgevallen.
6.1.
Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen van (ex-)werkneemster zoals opgenomen in de FML van 17 juli 2024 juist zijn. Zolang de functies die voor (ex-)werkneemster zijn geduid hiermee in overeenstemming zijn, ziet de rechtbank dan ook geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de functies. Dat eiseres in het verleden een administratieve functie heeft verricht, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv geen soortgelijke functie heeft kunnen duiden.
6.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 9 september 2024 in samenhang met de twee Resultaat functiebeoordelingen van 9 september 2024 gemotiveerd waarom de werkzaamheden die horen bij de geduide functies, op de beide data in geding de belastbaarheid van (ex-)werkneemster niet overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ook met de verzekeringsarts bezwaar en beroep overlegd over de passendheid van de functies. De rechtbank kan de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit vaste rechtspraak volgt dat als geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid bij de afzonderlijke beperkingen, van een overschrijding van de totaalbelasting binnen de geselecteerde functies ook geen sprake kan zijn. [4]
6.3.
Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de arbeidsdeskundige beoordeling voor onjuist te houden. Het Uwv heeft deze functies aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding juist is vastgesteld. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3969 en van 21 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1686.
4.Zie onder meer de uitspraak van 27 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2301 en van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1616.