In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had nagelaten de proceskostenvergoeding vast te stellen in de bestreden uitspraak van 12 december 2023. Eiser betoogde dat de hoogte van de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld, en verwees naar een conclusie van advocaat-generaal Koopman van 1 maart 2024 ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar inderdaad in gebreke was gebleven en dat de waarde per punt in belastingzaken in de bezwaarfase € 647,- moest zijn, in plaats van de door de heffingsambtenaar toegepaste € 310,-. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd, met een toekenning van een hogere proceskostenvergoeding.
Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van eiser in beroep, waarbij de rechtbank de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding vaststelde op 0,5. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- moest vergoeden. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 3.641,63, wat per zaak resulteerde in een vergoeding van € 910,41. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 12 december 2025, en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.