In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 december 2023, waarbij de heffingsambtenaar bij een gegrond bezwaar heeft nagelaten de proceskostenvergoeding vast te stellen. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en de zaak is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Eiser stelt dat de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte niet is vastgesteld en dat de uitbetaalde proceskostenvergoeding te laag is. De rechtbank wijst op een arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, waarin is bepaald dat de lagere waarde per punt in belastingzaken in strijd is met het discriminatieverbod. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak, waarbij de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten en het griffierecht. De totale proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 3.641,63, wat per zaak neerkomt op € 910,41. De heffingsambtenaar moet het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden.