4.3.Oordeel van de rechtbank
Samenhang feit 2 en feit 6
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] (zijn vader) in de periode van 1 maart 2020 tot en met 20 april 2022 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van dan wel de handel in verdovende middelen (soft- en harddrugs).
Het bewijs ten aanzien van deze feiten rust met name op zogenaamde Encrochatberichten. De advocaat stelt zich, zoals verwoord in de door hem overgelegde pleitnota, primair op het standpunt dat deze berichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe voert de advocaat een aantal verweren aan. Deze verweren komen in de kern op het volgende neer:
- het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt niet. De Franse opsporingsautoriteiten zijn binnengedrongen op toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden, waarna de data op die toestellen vastgelegd is. Dit hacken vond plaats op Nederlands grondgebied. Dat betekent dat het bepaalde in artikel 5.2.2. Wetboek van Strafvordering toegepast had moeten worden. Ongeacht de vraag of dit hacken plaatsvond op basis een Joint Investigation Team (hierna: JIT) of een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB).
- Er is onrechtmatig tegenover de verdachte opgespoord. De verdachte kan dat niet laten toetsen. In Nederland niet, omdat volgens de Hoge Raad (ten onrechte) het vertrouwens-beginsel aan de orde is. In Frankrijk niet, omdat uit het arrest van het Franse Cour de Cassation blijkt dat de verdachte geen belanghebbende is bij het bewijs in rechte nietig te laten verklaren. Dit levert strijd op met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) respectievelijk artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
- Tot slot gaat het om het gebruik van oncontroleerbaar bewijs, zonder dat er afdoende maatregelen ter compensatie van de verdedigingsrechten worden getroffen, wat in strijd is met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).
Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de door het Franse Cour de Cassation gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (hierna: HvJEU). Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht de rechtbank zelf prejudiciële vragen te laten stellen aan het Hof van Justitie.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank sluit zich aan bij wat is overwogen in de hiervoor genoemde uitspraken over de feitelijke gang van zaken in het onderzoek naar Encrochat. Hieruit volgt dat in het geval van Encrochat sprake is geweest van de inzet van een interceptietool, in een door de Franse autoriteiten uitgevoerd opsporingsonderzoek, welke tool is ingezet met toestemming van een Franse rechter en op basis van Frans recht. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, en dat het niet aan de rechtbank is om de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen van de Franse autoriteiten te toetsen. Dit is anders wanneer blijkt dat het in Frankrijk verrichte opsporingsonderzoek en het daaruit verkregen bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht.
De rechtbank is van oordeel dat het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten geen onderzoekshandelingen opleveren waarvan gezegd kan worden dat de uitvoering hiervan (mede) onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is gedaan. De rechtbank sluit zich aan bij en verenigt zich met wat het gerechtshof
’s-Hertogenbosch in haar arrest van 22 augustus 2025 op dit punt heeft overwogen:
“(…) de wijze van interceptie maakt niet dat de locatie van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden (ook) in Nederland is geweest dan wel hierdoor naar Nederland verplaatste, hetgeen immers zou impliceren dat die locatie ook met een gebruiker mee verplaatste als deze zich over een of meer landsgrenzen begaf. Nee, de tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons).”
Het vorenstaande betekent dat Nederland geen rechtsmacht heeft waar het de interceptie betreft van de gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied. Het vertrouwensbeginsel is dus onverkort van toepassing.
Voorts overweegt de rechtbank dat de overdracht van de door de Franse opsporings-autoriteiten verkregen data aan Nederland plaatsvond op basis van een tussen Frankrijk en Nederland gesloten JIT-overeenkomst. Dat voorafgaand aan en binnen het JIT overleggen zijn geweest tussen de Nederlandse en Franse opsporingsautoriteiten en dat er intensief is samengewerkt maakt de conclusie ten aanzien van het voorgaande niet anders.
Wat betreft de uitspraak van het Cour de Cassation en de aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen overweegt de rechtbank dat de verdachte geen belang heeft bij een antwoord op die vragen. Zoals overwogen heeft Frankrijk de verkregen berichten op basis van de JIT-overeenkomst aan Nederland verstrekt. Dat is een wezenlijk andere situatie dan in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van het Cour de Cassation. In die zaak heeft het Duitse Openbaar Ministerie op basis van een EOB aan de Franse autoriteiten verzocht tot overdracht van de verkregen encrochatberichten. Zoals gezegd is dat hier niet aan de orde. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in dit kader zelf prejudiciële vragen te stellen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het stellen van prejudiciële vragen door het Franse Cour de Cassation niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen in Encrochatzaken. Eerder zijn er aanwijzingen te vinden voor het tegendeel in eerdere door de Cour de Cassation gedane uitspraken (vgl. het arrest van 11 oktober 2022, ECLI:FR:CCASS:2022:CR01226).
Betrouwbaarheid van de Encrochatberichten
De Hoge Raad heeft reeds geoordeeld dat uit het vertrouwensbeginsel volgt dat de van Frankrijk verkregen data in beginsel betrouwbaar zijn. Daarnaast heeft het NFI-onderzoek gedaan naar de juistheid van de uit Frankrijk ontvangen berichten door deze data te vergelijken met de data van een aantal in Nederland in beslag genomen Encrochattelefoons. Bij dat onderzoek is niet gebleken van onregelmatigheden waardoor getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de berichten. Door de verdediging is verder onvoldoende naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de verkregen gegevens. De verdediging is voorts in de gelegenheid gesteld om de Encrochat datasets op juistheid te onderzoeken.
Ontbreken rechtsbescherming
Gelet op de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel is de taak van de rechtbank met betrekking tot het verkregen bewijs beperkt tot het waarborgen van de ‘overall fairness’ van de strafzaak tegen de verdachte. Dat houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat de wijze waarop van de resultaten van de buitenlandse onderzoeken in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk mag maken op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen, ook niet in de door de advocaat aangehaalde uitspraken, waaruit zou kunnen blijken dat in het Franse onderzoek sprake is geweest van een evidente schending van artikel 6 EVRM dan wel een schending van artikel 8, die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Conclusie
De rechtbank ziet gezien het vorenstaande geen redenen om te twijfelen aan de rechtmatigheid dan wel betrouwbaarheid van de verkregen Encrochatberichten. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat om deze berichten van het bewijs uit te sluiten.
Is verdachte de gebruiker geweest van de Encrochataccounts [accountnaam] en [accountnaam] ?
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek aan de Encrochatberichten, verstuurd door de accounts [accountnaam] en [accountnaam] , vast dat de verdachte de gebruiker geweest is van deze twee Encrochataccounts. Redengevend daarvoor vindt de rechtbank, onder meer, het bericht van 8 april 2020, waarbij door de gebruiker [accountnaam] een schermafbeelding van zijn telefoon wordt verstuurd waarop een betaalrekening op naam [verdachte] zichtbaar is, en een aantal bij- en afschrijvingen, waaronder een afschrijving naar de bankrekening op naam van de stiefzus van de verdachte en een bijschrijving naar de bankrekening op naam van [bedrijf 1] . Daarnaast stuurt de gebruiker [accountnaam] op 2 april 2020 aan een ander account dat die persoon ‘ook bij zijn zaak in [plaats] kan komen’, waarna de gebruiker een routebeschrijving naar het bedrijf aan de [adres 2] in [plaats] stuurt, op welke locatie het bedrijf van de verdachte gevestigd is.
Op basis van het bericht van [accountnaam] van 16 april 2020 stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het account [accountnaam] vanaf dat moment gebruik maakt van het Encrochataccount [accountnaam] . Dat de verdachte gebruiker van het account [accountnaam] is geweest, baseert de rechtbank ook op onder meer de berichten van 17, 21 en 28 april 2020 en de berichten van 1 mei 2020.
Uit de berichten van april in samenhang met de historisch verkeersgegevens van het aan de verdachte toegeschreven mobiele telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) blijkt dat de mobiele telefoon van de verdachte op die locaties is of verbinding maakt met de zendmasten die aansluiten bij de route en/of locaties genoemd in de door gebruiker [accountnaam] verstuurde Encrochatberichten.
Uit het bericht van 1 mei 2020 om 11.07 uur blijkt dat gebruiker [accountnaam] zijn Golf kwijt wil, omdat hij de dag daarvoor in Amsterdam aangehouden is en zijn auto doorzocht is. Uit politiemutaties blijkt dat de verdachte op 1 mei 2020 om 00.10 in Amsterdam werd gecontroleerd als bestuurder van een witte Volkswagen Golf. Daarnaast blijkt uit de historisch zendmastgegevens van het mobiele telefoonnummer van de verdachte dat het nummer op 1 mei 2020, om 00.02 uur contact maakt met een zendmast in Amsterdam.
Is de medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker geweest van het Encrochataccount [accountnaam] ?
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek aan de Encrochatberichten, verstuurd door het account [accountnaam] , vast dat de medeverdachte de gebruiker is geweest van dit Encrochataccount. Redengevend daarvoor vindt de rechtbank, onder meer, de berichten van 15 en 16 april 2020 tussen [accountnaam] en de gebruiker [gebruikersnaam] . In die berichten verwijst de gebruiker naar zijn zoon, die de gebruikersnaam [accountnaam] heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte (de zoon van de medeverdachte) de gebruiker geweest is van het Encrochataccount [accountnaam] .
Handel in softdrugs (feit 2)
De politie heeft de Encrochatberichten, verstuurd door de verdachte met de Encrochataccounts [accountnaam] en [accountnaam] , in de periode tussen 28 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, geanalyseerd.
De rechtbank stelt vast dat in de chatgesprekken die worden gevoerd regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. De politie heeft op basis van ervaring in onderzoeken naar zware georganiseerde criminaliteit en/of naslag op relevante internetsites duiding gegeven aan verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. Deze duiding is in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. De rechtbank verenigt zich dan ook met die uitleg van de politie.
De rechtbank acht op basis van die berichten, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich, als zijnde de gebruiker van de Encrochataccounts [accountnaam] en [accountnaam] , in de periode tussen 2 april 2020 en 10 juni 2020, onder andere samen met de medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan het verstrekken, vervoeren en het voorhanden hebben van verdovende middelen in de vorm van hennep en hasj.
Wat betreft de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte zich voor 2 april 2020 en/of na 10 juni 2020 eveneens schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Vóór 2 april 2020 bevat het dossier geen Encrochatberichten die hierop wijzen. Wat betreft de periode na 26 mei 2020 overweegt de rechtbank het volgende. Ten eerste zijn er geen Encrochatberichten van het account [accountnaam] of [accountnaam] van de periode na 10 juni 2020. Het enkele feit dat op 20 april 2022, dus bijna twee jaar na het laatste belastende Encrochatbericht, bij de doorzoeking van het pand van de verdachte aan de [adres 2] in [plaats] soft- en harddrugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet de conclusie dat de verdachte zich dus ook in de tussenliggende periode daaraan schuldig moet hebben gemaakt. De verdachte zal voor deze perioden partieel vrijgesproken worden.
De rechtbank is daarbij, gelet op de grote hoeveelheden verhandelde softdrugs, de bewezen-verklaarde periode, de hoeveelheid tegencontacten en het aantal verkooptransacties, van oordeel dat de verdachte het feit heeft gepleegd in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Handel in cocaïne (feit 6)
De politie heeft de Encrochatberichten, verstuurd door de verdachte met de Encrochataccounts [accountnaam] en [accountnaam] , in de periode tussen 28 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, geanalyseerd.
De rechtbank stelt vast dat in de chatgesprekken die worden gevoerd regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. De politie heeft op basis van ervaring in onderzoeken naar zware georganiseerde criminaliteit en/of naslag op relevante internetsites duiding gegeven aan verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. Deze duiding is in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. De rechtbank verenigt zich dan ook met die uitleg van de politie.
De rechtbank acht op basis van die berichten, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich, als zijnde gebruiker van de Encrochataccounts [accountnaam] en [accountnaam] , in de periode tussen 11 april 2020 en
10 juni 2020, samen met anderen, schuldig gemaakt heeft aan het vervoeren, verstrekken en voorhanden hebben van cocaïne.
De rechtbank leidt dit onder meer af uit de berichten verstuurd tussen de verdachte en de gebruiker met de naam [gebruikersnaam] tussen 11 en 16 april 2020. Uit die berichten blijkt dat de verdachte op 11 april 2020 met Encrochatgebruiker [gebruikersnaam] communiceert over blokken waarvoor 27.5 -27.250 voor betaald moet worden. Uit die berichten blijkt verder dat deze [gebruikersnaam] eerst een voorbeeld wil, waarna door [accountnaam] 1 blok wordt afgeleverd. In de berichten daarna wordt gesproken over het voorbeeld dat op 11 april is geleverd, maar dat is afgekeurd vanwege de geur.
Op 16 april 2020 stuurt [accountnaam] berichten aan Encrochatgebruiker [gebruikersnaam] waarin staat dat ‘die kilo van gisteren niet goed was’ en dat deze moet worden omgeruild want het transport gaat vandaag.
Op 10 juni 2020 wordt gebruiker [accountnaam] gevraagd of hij blokken nodig heeft, boli toppers, waarbij een afbeelding van een wit blok wordt verstuurd. Aansluitend informeert [accountnaam] bij de medeverdachte [accountnaam] of ‘die grote wat met boli kan’. Gebruiker [accountnaam] wil 50 gram en de week daarna 100. De 50 is voor henzelf en voor die 100 krijgt hij 33, wat 550 winst is. Via encrochatgebruiker [gebruikersnaam] laat [accountnaam] vervolgens 50 gram colo naar hem toe komen.
Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte zich ook in de periode voor 11 juni 2020 en na 20 april 2022 schuldig gemaakt heeft aan de handel in cocaïne. Vóór 11 juni 2020 bevat het dossier geen Encrochatberichten die hierop wijzen. Er zijn eveneens geen Encrochatberichten van het account [accountnaam] of [accountnaam] van de periode na 12 juni 2020. Het enkele feit dat op 22 april 2022 bij de inval in het pand van de verdachte verdovende middelen zijn aangetroffen, levert op zichzelf onvoldoende bewijs op voor de vaststelling dat de verdachte dus in de gehele tussenliggende periode van bijna twee jaar zich schuldig is blijven maken aan de handel in cocaïne. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van de periode gelegen tussen 20 maart 2020 en 10 april 2020 en de periode gelegen tussen 11 juni 2020 en 20 april 2022.
De rechtbank zal de verdachte ook partieel vrijspreken van de ten laste gelegde in- en export van verdovende middelen, nu het dossier hiervoor geen bewijs bevat.
Inleiding feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5
Op 20 april 2022 heeft de politie een pand aan de [adres 2] te [plaats] en een woning aan de [adres 3] in [plaats] doorzocht. In het pand aan de [adres 2] in [plaats] is het bedrijf van de verdachte gevestigd met de naam ‘ [bedrijf 2] B.V.’. Aanleiding voor de doorzoekingen was een op basis van TCI-informatie ontstane verdenking tegen de verdachte dat hij zich bezig zou houden met het organiseren van illegale pokeravonden. Bij de doorzoekingen zijn vuurwapens en verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast is in een ruimte in het pand aan de [adres 2] een zogenaamde pokertafel aangetroffen. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt heeft aan het voorhanden hebben van aangetroffen vuurwapens, verdovende middelen en het zonder vergunning organiseren van pokeravonden.
Feit 1 – voorhanden hebben vuurwapens
Vuurwapen Rotterdam
De verdachte bekent bij de inhoudelijke behandeling dat hij op 20 april 2022 te Rotterdam een vuurwapen (met patroonmagazijn) van het merk Walther, model P99, kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad. Ook bekent de verdachte dat hij de in het wapen aangetroffen munitie, zijnde patronen van het merk Luger, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit onderdeel van de beschuldiging gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen in het vonnis. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2025;
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2022, genummerd PL0900-2020292259-56, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 370 en volgende, van het proces-verbaal met nummer 2020292259.PF.
Vuurwapen, patroonmagazijn en munitie [plaats]
Bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 2] in [plaats] is, onder meer, een vuurwapen (met munitie), een los patroonmagazijn en een los patroon aangetroffen. Het vuurwapen, met daarnaast het patroonmagazijn, lagen op een systeemplafond, van een open ruimte op de eerste etage. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om een vuurwapen, pistool, merk Beretta, model 9000S, kaliber 9mm Para. Het aangetroffen patroonmagazijn is van het merk Walther, model P99, kaliber 9x19mm. De patronen in het patroonmagazijn betreffen scherpe patronen van het merk Luger, kaliber 9x19mm. Het patroon, aangetroffen in een bureaulade op de eerste verdieping, betreft een scherp patroon kaliber 9mm Carb. Volgens de politie zijn de hiervoor genoemde patronen bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het vuurwapen van het merk Beretta en elk ander scherp schietend vuurwapen kaliber 9x19mm af te schieten. Daarnaast kunnen de hiervoor genoemde patronen geladen worden in het los aangetroffen patroonmagazijn.
De raadsman van de verdachte stelt dat het vuurwapen, het losse patroonmagazijn en het losse patroon niet van de verdachte zijn en dat verdachte ook niet wist dat deze voorwerpen in zijn pand lagen. Volgens de verdachte is het goed mogelijk dat toen de politie het pand binnenviel deze voorwerpen door een van de andere aanwezigen op dat moment op die plekken neergelegd zijn.
De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van vuurwapens en/of munitie vereist is dat de verdachte een wapen en/of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Het wapen, het patroonmagazijn en de munitie zijn aangetroffen in het door de verdachte gehuurde pand. In het pand is het autobedrijf van de verdachte gevestigd. Het bedrijf van de verdachte is al jarenlang huurder van het pand. De verdachte was dagelijks aanwezig in het pand en de verdachte was ook in het pand aanwezig toen de politie het pand op 20 april 2022 binnenviel. Het vuurwapen en het patroonmagazijn lagen op een voor verdachte toegankelijke plek, namelijk boven op een plafondplaat in een open ruimte op de eerste verdieping van het pand. Verder is in ruimte 2 (kantoorruimte) boven een plafondplaat opnameapparatuur voor camerabeelden aangetroffen. Dat duidt erop dat de ruimten boven de plafondplaten kennelijk vaker door de verdachte als opslag werden gebruikt
Verder is er naast de Beretta een patroonmagazijn aangetroffen dat past bij het vuurwapen dat op 20 april 2022 in Rotterdam is aangetroffen en waarvan de verdachte bekent dat het wapen van hem is. Tot slot worden door het aan de verdachte gekoppelde Encrochataccount verschillende berichten gestuurd waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het versturen van die berichten de beschikking had over een vuurwapen en dat hij op zoek is naar ‘meerdere 9 mm’s’.
De rechtbank acht het onaannemelijk dat het vuurwapen, het patroonmagazijn en het losse patroon in de haast op die verschillende plekken zijn neergelegd door een van de aanwezigen toen de politie het pand op 20 april 2022 met veel geweld binnenviel.
De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden ervan overtuigd dat de verdachte wetenschap had, althans dat het niet anders kan zijn dat de verdachte bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen, het patroonmagazijn en het losse patroon in zijn pand en dat de verdachte hierover kon beschikken.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 20 april 2022 een vuurwapen van het merk Beretta, een patroonmagazijn en meerdere patronen voorhanden heeft gehad. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte het wapen en het patroonmagazijn samen met een ander voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal hem daarom van het medeplegen vrijspreken.
Feiten 3 en 5 – voorhanden hebben hennep, hasj en cocaïne
Bij de doorzoeking van het pand is een zwarte gesealde strijkzak aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat in deze zak gedroogde henneptoppen zaten, met een gewicht van in totaal 996,17 gram. Deze zak is aangetroffen in ruimte 1 (opslagruimte) onder een tafel.
Verder is in ruimte 2 (kantoor), in een bureaulade, een witte plastic tas aangetroffen. In die tas zat een aantal blokken, te weten drie hele en twee halve blokken. Uit onderzoek blijkt dat dit hasj blokken zijn, met een totaalgewicht van 398,60 gram.
Tot slot is bij de doorzoeking, in een Peugeot, in een verborgen ruimte in de kofferbak, een tas aangetroffen. In deze tas zaten 10 blokken. Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om 9 blokken hasj, met een totaalgewicht van 8.883 gram en één blok cocaïne van 970 gram.
In de tas is verder een medicijndoosje aangetroffen, met daarop een etiket, op naam van [medeverdachte 1] (medeverdachte), geboortedatum [geboortedatum] 1992 (de geboortedatum van verdachte).
De raadsman van de verdachte stelt dat de aangetroffen verdovende middelen niet van de verdachte zijn en dat de verdachte ook niet wist van de aanwezigheid van die verdovende middelen. Dat geldt ook voor de in de verborgen ruimte aangetroffen verdovende middelen. Volgens de verdachte is het goed mogelijk dat toen de politie het pand binnenviel de verdovende middelen door een van de andere aanwezigen onder de tafel en/of in de bureaulade zijn gelegd. Voor het medicijndoosje geldt dat ditbij het openbreken van de verborgen ruimte mogelijk in de tas terecht is gekomen.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel en/of de middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel en/of de middelen in zijn machtssfeer aanwezig is of zijn geweest.
Een deel van de verdovende middelen is aangetroffen in het pand van de verdachte. Zowel de verdachte als de medeverdachte hebben verklaard dat zij bijna dagelijks in het pand aanwezig waren. De zwarte gesealde zak en de witte plastic tas lagen op voor de verdachte(n toegankelijke plekken. De witte plastic tas lag in een bureaulade in een ruimte die als kantoor werd gebruikt. Verder zijn op het bureau en in verschillende bureauladen diverse telefoons en kentekenbewijzen aangetroffen. Daarnaast zijn in een stellingkast in de garage van het pand meerdere nog niet gebruikte strijkzakken gevonden, soortgelijk aan die waarin de gedroogde henneptoppen zaten.
De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat op 20 april 2022 de verdovende middelen, toen de politie met veel geweld het pand binnenviel, door een van de andere aanwezigen op de genoemde plekken zijn achtergelaten. De verdediging wekt die suggestie, terwijl daar door niemand over is verklaard. Ook is er niet verklaard over het naar binnen brengen van grote pakketten of tassen door gasten waar de drugs in had kunnen zitten. Het is verder onwaarschijnlijk dat een gast op de benedenverdieping in de stellingkast in de garage – waar de politie binnenviel – soortgelijke lege, nog niet gebruikte, strijkzakken in alle haast heeft weggelegd. De verdachten geven hierover ook geen aannemelijke verklaring.
Verdachte had een bedrijf dat zich bezighield met de in- en verkoop van auto’s. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte (als ook de medeverdachte) meer verstand heeft van auto’s dan de gemiddelde Nederlander. De Peugeot, met daarin de verborgen ruimte, staat sinds 6 oktober 2021 op naam van het bedrijf van de verdachte. De auto is door de medeverdachte aangeschaft. Uit de Whatsappgesprekken tussen verdachte en medeverdachte blijkt dat na aankoop van de Peugeot reparatiewerkzaamheden aan de Peugeot zijn verricht en dat zowel de verdachte als de medeverdachte allebei gebruik maakten van de Peugeot. Verder lag in de tas in de verborgen ruimte een medicijndoosje, dat kennelijk kort na aanschaf van de auto, aan de verdachte is verstrekt. Deze kan niet in de tas zijn gevallen bij het openen van de verborgen ruimte door de politie zoals door de verdediging is gesuggereerd. Uit het dossier blijkt namelijk dat de verborgen ruimte niet door de politie is opengebroken, maar dat de ruimte is geopend via een zogenaamde 12 volt omleiding. Om de ruimte te kunnen openen moet het voertuig aan staan en 12 volt op het slot worden geactiveerd, de klep gaat vervolgens via de gasveer open, waarna de klep verder handmatig te openen is. Deze op professionele wijze ingebouwde verborgen ruimte moet ook door de verdachten zijn gezien als gelet op hun verklaring zij de auto hebben aangekocht van iemand uit het criminele circuit. De verdachten hadden immers jarenlange ervaring met de handel in auto’s. De rechtbank gelooft daarom de verklaring van de verdachte(n) niet. Tot slot weegt de rechtbank voor de verdere overtuiging mee dat uit de Encrochatberichten blijkt dat de verdachte en de medeverdachte zich in 2020 bezig hebben gehouden met de handel in verdovende middelen en toen ook hennep, hasj en cocaïne voorhanden hebben gehad (feit 3). Op grond van het voorgaande is ook wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 20 april 2022, samen met een ander, 970 gram cocaïne voorhanden heeft gehad (feit 5).
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 20 april 2022, samen met een ander, een hoeveelheid van 996,17 gramhenneptoppen en 9.281,60 gram hasj voorhanden heeft gehad.
Feit 4 – organisatie illegale pokeravonden
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 20 april 2022 bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 2] , in een ruimte op de eerste verdieping, een pokertafel is aangetroffen. Het betrof een ovale tafel, verdeeld in 9 vakken, met een gedeelte waarin geldfiches geplaatst konden worden. Op de tafel lagen in de verschillende vakken fiches en speelkaarten. De aangetroffen situatie is door de politie beoordeeld. Uit die beoordeling blijkt dat de wijze waarop de beschreven kaarten, fiches en dealerbutton op de aangetroffen pokertafel lagen, overeenkomt met de wijze waarop het spel poker gespeeld wordt. Uit de wijze waarop de fiches aan de rand van het spelersvak bij de spelersplaatsen waren geplaatst, maakt de politie op dat kort voor het binnentreden nog acht spelers aan het pokerspel deelnamen en dat er sprake was van een vaste dealer die achter de fichebak zat. Tot slot wordt door de in het pand aanwezigen personen bevestigd dat er die avond gepokerd werd, waarbij door de aanwezigen ook verklaard wordt dat sprake was van een buy-in en een aan de organisatie te betalen vergoeding. De rechtbank gaat voorbij aan de veel later door de aanwezigen afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris waarbij zij hun eerdere verklaring in veel gevallen nuanceren en zeggen dat er slechts sprake zou zijn van ‘tientjeswerk’. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de eerdere verklaringen die kort na de inval zijn afgelegd. De aanwezigen werden toen als verdachten gehoord, hebben (ook voor zichzelf) belastend verklaard en geven vrijwel allemaal aan dat zij wel wisten dat deze pokeravonden niet waren toegestaan. Ook valt op dat velen in de eerdere verklaring niet willen noemen wie de organisator was van de pokeravonden omdat zij die persoon ‘niet in de problemen wilden brengen’.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 maart 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0952) geoordeeld dat poker als een kansspel aangemerkt moet worden. Voor het aanbieden van poker is uitsluitend een vergunning verleend aan Holland Casino. Het pand van de verdachte is geen vestiging van Holland Casino. De rechtbank acht op grond hiervan overtuigend bewezen dat er op 20 april 2022 sprake was van het zonder vergunning organiseren van een kansspel. De rechtbank leidt uit de politiemutaties en de verklaringen van de aanwezigen af dat vanaf 4 oktober 2018 tot 20 april 2022 zonder vergunning pokeravonden in het pand van de medeverdachte en later verdachte georganiseerd werden. Nadat het bedrijf van de medeverdachte opgeheven werd in 2019 heeft de verdachte namelijk zijn bedrijf in het pand voortgezet. Uit de politiemutaties blijkt dat er vanaf 4 oktober 2018 op verschillende data door de politie geconstateerd is dat op de woensdagavond bij het pand van de verdachte verschillende personen aanwezig zijn. Het gaat om personen, afkomstig uit heel Nederland, met politiemutaties die zien op overtreding op de Wet op de kansspelen en/of illegaal gokken. Ook de aanwezigen zelf verklaren dat zij al geruime tijd, in sommige gevallen, al jaren in het pand van de verdachte deelnemen aan pokeravonden op de woensdag.
Resteert de vraag op welke wijze de verdachte betrokken geweest is bij het organiseren van deze pokeravonden.
De medeverdachte was tot medio oktober 2019 de huurder van het pand. In oktober 2019 is het bedrijf van de medeverdachte opgeheven. De medeverdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van de organisator van het pokertoernooi ( [A] ) het door hem gehuurde pand aan de [adres 2] aan de organisator ter beschikking heeft gesteld. De medeverdachte heeft ook verklaard dat hij destijds geholpen heeft de op 20 april 2022 aangetroffen pokertafel naar boven te tillen. Na oktober 2019 was het bedrijf van de verdachte op de [adres 2] gevestigd. Ook hebben de medeverdachte en later de verdachte een betreffende ruimte in het pand geschikt gemaakt en langdurig ter beschikking gesteld aan de organisator van de pokeravonden. Daarnaast blijkt uit de chatberichten tussen de medeverdachte en de verdachte dat zij deelnamen aan de pokeravonden en dat zij elkaar op de hoogte hielden van het verloop van de avonden.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel niet blijkt dat de verdachte en/of de medeverdachte de pokeravonden georganiseerd hebben, het zonder hun bijdrage, in de vorm van het langdurige ter beschikking stellen van hun pand en ruimte, voor de organisatie niet mogelijk was geweest om aldaar in deze vorm op professionele wijze pokeravonden te organiseren.
De rechtbank is van oordeel dat deze bijdrage van de verdachte en de medeverdachte aan het organiseren en promoten van deze illegale pokeravonden kwalificeert als medeplegen van medeplichtigheid. Verdachten zijn samen behulpzaam geweest bij het faciliteren van de pokeravonden. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde medeplegen.
De rechtbank acht dan ook feit 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.