Uitspraak
- het (meermalen) kopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/maken/ (laten) vervoeren/leveren en/of (laten) omzetten naar BMK van (1.000kg) APAA(N) en/of MAPA;
- het (meermalen) voorhanden hebben/aanbieden van APAA(N) en/of MAPA ter aan-/verkoop en/of ter omzetting naar BMK;
- het kopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/maken en/of (laten) vervoeren van BMK;
- het communiceren over de productie/aankoop/verkoop/vervoer en/of invoer van harddrugs en/of (pre)precursoren en/of over de prijzen van harddrugs/ (pre)precursoren en/of het ophalen van geld;
- het (trachten te (laten)) regelen en/of aansturen van drugslaboranten/vervoerders van harddrugs/(pre)precursoren en/of nader geduide drugslabs;
- het communiceren over de inrichting van die labs en/of
- het aankopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/(laten) vervoeren en/of maken van chemicaliën, grondstoffen en/of hardware voor harddrugsproductie en/of het uiten van het concrete voornemen daartoe.
- is nagelaten om relevante ontlastende informatie aangaande het onder feit 3 tenlastegelegde witwasfeit (zaaksdossier 6), onder meer een proces-verbaal waarmee het Openbaar Ministerie al voor het einde van de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg over beschikte, te voegen in het dossier;
- is nagelaten om volledig uitvoering te geven aan de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 april 2025 opgenomen opdrachten van het hof betreffende het doen van een nadere zoekslag in de bruto-dossiers van de verdachte en de medeverdachten naar relevante informatie aangaande de witwaszaak en betreffende het verstrekken van informatie aangaande een strafzaak die in België loopt tegen de verdachte en
- bij het afleggen van verantwoording hierover ter terechtzitting geen transparantie en een onjuiste voorstelling van feiten is gegeven.
De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
U kon ook wel indenken dat we niet alle precieze bijlagen in andere ontnemingsdossiers in ons hoofd zouden hebben en er zijn zoveel processen-verbaal de afgelopen 10 jaar opgemaakt op mijn instructie. Ik kon dat nu niet meer uit mijn hoofd weten.”Het hof neemt aan dat het proces-verbaal per abuis en niet opzettelijk niet bij de stukken in de zaak van de verdachte is gevoegd en de advocaat-generaal op 3 april 2025 eveneens niet opzettelijk onjuist heeft geantwoord op de vraag of er nog nadere stukken waren. Het Openbaar Ministerie heeft derhalve niet bewust een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Nadat duidelijk is geworden dat het proces-verbaal over het hoofd is gezien heeft het Openbaar Ministerie dit erkend en is uitgezocht en bij proces-verbaal gerelateerd wat de gang van zaken is geweest. Het ontbreken van transparantie of het opzettelijk geven van een onjuiste voorstelling van zaken heeft het hof niet geconstateerd.
ANØM
Uit een brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 blijkt dat op 21 maart 2021 een proces-verbaal is ontvangen van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie (DLIO). Uit dat proces-verbaal volgt dat het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC), onderdeel van het Openbaar Ministerie op 23 maart 2021, door tussenkomst van een in Nederland gestationeerde ‘liaison officer’ van de Verenigde Staten van Amerika, informatie had ontvangen van de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika beschikten over telecommunicatiedata van cryptotelefoons. Deze cryptotelefoons maakten gebruik van het ANØM-platform. Daarbij was vermeld dat deze data rechtmatig waren verkregen en door de Nederlandse opsporingsdiensten gebruikt mochten worden in strafrechtelijke onderzoeken.Uit die informatie blijkt voorts dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika ongeveer 530 cryptotelefoons in Nederland hadden gelokaliseerd, waarvan de nog niet nader geïdentificeerde gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten, zoals de internationale handel in drugs, witwassen, moord, ontvoering, fraude, economische delicten, wapenhandel en corruptie, en onderdeel waren van criminele samenwerkingsverbanden. Elk van die individuele cryptetelefoons werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten.
onder verantwoordelijkheidvan de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het zijn daarvoor geen concrete aanknopingspunten. Bij zowel EncroChat als SkyECC is de interceptietool op basis van Franse wettelijke bevoegdheden ingezet door de Franse autoriteiten. Dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het inzetten van de tool en wisten dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, staat niet ter discussie, maar maakt dat niet anders. Dat er in beide gevallen sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie, maakt dit evenmin anders. Bij EncroChat vindt de informatie-uitwisseling zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in het JIT.
onder verantwoordelijkheidvan de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden.
voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;
tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en,
dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.
voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 kan Pro verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
Om te beginnen is er bij de ‘interceptie van telecommunicatie’ zoalsbedoeld in artikel 31 van Pro richtlijn 2014/41, dat wil zeggen een vorm van interceptie die kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie die interceptie betrekking heeft, zich bevindt, anders dan bij de ‘interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat’, waarop artikel 30 van Pro die richtlijn betrekking heeft, geen sprake van een EOB. Hieruit volgt dat de verschillende voorwaarden en waarborgen voor een EOB niet op eerstgenoemde interceptie van toepassing zijn.
Vervolgens komt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 3, van richtlijn2014/41, zoals is opgemerkt in punt 118 van het onderhavige arrest, naar voren dat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat, indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis kan stellen dat die interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, of zelfs in voorkomend geval dat materiaal dat reeds is geïntercepteerd niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt.
Het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in die bepaling impliceert dat de inkennis gestelde lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt die kan worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die staat, onder verwijzing naar het feit dat een dergelijke interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan.
Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan,kan[onderstreping, hof]
de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen (…)’en niet op het werkwoord ‘mogen’ in de officiële Nederlandse vertaling van het bepaalde in sub a en b van dat artikellid.
‘Die Verwendung des Verbs ‘können’), in deze zaak de gebruikte procestaal].
Artikel 31 van Pro richtlijn 2014/41 beoogt dus niet alleen te waarborgen dat desoevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van Pro het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a.,C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 36), moet daarom worden overwogen dat met artikel 31 van Pro richtlijn 2014/41 ook de bescherming wordt beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), wordengeantwoord dat artikel 31 van Pro richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het ook strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht.’
De van de Amerikaanse autoriteiten verkregen en ontsleutelde gegevensworden onderzocht met toepassing van zoeksleutels, zoals
Het onderzoek moet zo worden ingericht dat achteraf reproduceerbaar enverifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek. Daarbij moet duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke dataset aan het betreffende andere onderzoeksteam kan worden verstrekt.
Bij het onderzoek aan de data wordt recht gedaan aan het verschoningrechtvan geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt communicatie van en met geheimhouders actief uitgefilterd.
Hack van aanbieder-telefoons leidt tot een hausse aan strafzaken” d.d. 1 juli 2020 stuurde naar een SkyECC-contact. Diezelfde dag liet deze ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ aan een ander contact weten te hopen geluk te hebben en niet voor een tijd weg te moeten door die klote telefoon. Daaraan vooraf gingen de woorden “sinds [Dochter medeverdachte 1] wordt het elke dag moeilijker”. Het hof leidt hieruit af dat gebruiker ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ een veroordeling vreesde als het eerdere gebruik van een cryptotelefoon tot ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ zou zijn te herleiden. Dat ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ eerder een cryptotelefoon gebruikte en wel onder de naam ‘ [EncroChatnaam medeverdachte 1] ’, volgt uit een chatbericht van 3 juli 2020, waarin ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ aan het contact dat eerder voornoemd artikel ontving, liet weten de naam te hebben veranderd en “ [EncroChatnaam medeverdachte 1] ” niet meer te durven gebruiken. Diezelfde ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ liet vervolgens nog bij herhaling in de tweede helft van 2020 weten een witte BMW 5-serie te hebben en eind 2020 werd door ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ nog gemeld een Golf R te hebben. Uit politieonderzoek volgde dat [medeverdachte 1] partner zowel een witte BMW 5-serie als een Golf R op haar naam had staan waarvan [medeverdachte 1] ook gebruik kon maken. Het hof stelt vast dat de komst van zijn inmiddels vierjarig dochtertje [Dochter medeverdachte 1] als ‘ [SkyECCnaam 1 medeverdachte 1] ’ er klaarblijkelijk niet van heeft weerhouden om na de hack van EncroChat waar hij gebruik van maakte onder de gebruikersnaam ‘ [EncroChatnaam medeverdachte 1] @encrochat.com’ over te stappen naar de crypto-berichtendiensten van SkyECC teneinde het versleuteld communiceren voort te zetten. En bij dat nieuwe account bleef het niet.
Geef je pincode op om Android te starten” nadat deze door ‘[SkyECCnaam 1 medeverdachte 3]’ voor het eerst was uitgezet. Vervolgens had [medeverdachte 6] contact met een derde over “ [Nickname 1 medeverdachte 3] ”, dat [Nickname 1 medeverdachte 3] telefoon was gecrasht door het invoeren van een verkeerde pin en dat deze moest worden hersteld omdat [Nickname 1 medeverdachte 3] deze telefoon nodig had. Gelet op het feit dat [medeverdachte 3] door eerdere contacten de bijnaam (nickname) “ [Nickname 1 medeverdachte 3] ” was toegedicht als gebruiker van het EncroChat-account ‘ [EncroChatnaam medeverdachte 3] @encrochat.com’, spreekt het niet voor zich dat het wijzigen van crypto-berichtendienst per saldo ook een nieuwe bijnaam betekende. Waar voorheen ‘ [EncroChatnaam medeverdachte 3] ’ als ‘ [Nickname 1 medeverdachte 3] ’ communiceerde en inmiddels ‘ [Nickname 1 medeverdachte 3] ’ communiceerde met het SkyECC-account ‘[SkyECCnaam 1 medeverdachte 3]’ met zelfgekozen nicknames waaronder ‘ [Nickname 2 medeverdachte 3] ’, laat onverlet dat ook ‘[SkyECCnaam 1 medeverdachte 3]’ steeds [medeverdachte 3] was, die zichzelf ‘ [Nickname 1 medeverdachte 3] ’ noemde en voor zijn contacten “ [Nickname 1 medeverdachte 3] ” bleef.
1.Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier 2, de export van cocaïne)
- dat [verdachte] gebruiker is geweest van de betreffende chat-accounts;
- dat [verdachte] wetenschap en voorwaardelijk opzet had op de export van een partij drugs;
- dat hij in dat verband als medepleger van de export kan worden beschouwd en
- dat de drugs ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd naar Engeland.
2.Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 1, de criminele organisatie)
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en II en/of
- het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 en Pro/of het derde of vijfde lid van artikel 11 van Pro de Opiumwet.
- of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
3.Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 3, gewoontewitwassen)
- dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf;
- dat [verdachte] wetenschap had van het bestaan van ieder afzonderlijk genoemd geldbedrag;
- dat [verdachte] het (voorwaardelijk) opzet had om die geldbedragen te verbergen of verhullen et cetera, alsmede
- dat [verdachte] als medepleger een substantiële bijdrage heeft geleverd aan dat verbergen of verhullen et cetera dan wel het voorhanden hebben en/of overdragen.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).
.
Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier 5 , zaaksdossier 6 en zaaksdossier 11, voorbereidingshandelingen)
5.Ten aanzien van feit 5 (zaaksdossier 4, de invoer van hasjiesj)
Via deze weg brengt het OM u op de hoogte van zijn visie aangaande het horen van getuige [medeverdachte 6] , toegewezen in de zaken van de medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] .
Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van het al dan niet horen van getuigen als voornaamste toets wordt aangelegd of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. De relevantie van het verhoor wordt in dit soort gevallen vooral afgezet tegen de kwaliteit van het tegen de verdachte aanwezige belastende bewijs.
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren;
onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Wiet (goednummer 698178)
- Hasjiesj (goednummer 698177);
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: