3.3.Oordeel van de rechtbank in de zaak met parketnummer 16/032265-22
Vrijspraak feit 1
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de beschuldiging onder feit 1 (verboden wapenbezit). De rechtbank kan op basis van het dossier met onvoldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, de patroonhouder en de munitie in het pand aan de [adres] in [woonplaats] .
Samenhang feit 2 en feit 6
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] (zijn zoon) in de periode van 1 maart 2020 tot en met 20 april 2022 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van, dan wel de handel in verdovende middelen (soft- en harddrugs).
Het bewijs ten aanzien van deze feiten rust met name op zogenaamde Encrochatberichten. De advocaat heeft met betrekking tot de voornoemde Encrochatberichten aansluiting gezocht bij het verweer dat door de advocaat van de medeverdachte naar voren is gebracht. Primair stelt de advocaat zich op het standpunt dat deze berichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe voert de advocaat een aantal verweren aan. Deze verweren komen in de kern op het volgende neer:
- het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt niet. De Franse opsporingsautoriteiten zijn binnengedrongen op toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden, waarna de data op die toestellen vastgelegd is. Dit hacken vond plaats op Nederlands grondgebied. Dat betekent dat het bepaalde in artikel 5.2.2. Wetboek van Strafvordering toegepast had moeten worden. Ongeacht de vraag of dit hacken plaatsvond op basis een Joint Investigation Team (hierna: JIT) of een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB).
- Er is onrechtmatig tegenover de verdachte opgespoord. De verdachte kan dat niet laten toetsen. In Nederland niet, omdat volgens de Hoge Raad (ten onrechte) het vertrouwensbeginsel aan de orde is. In Frankrijk niet, omdat uit het arrest van het Franse Cour de Cassation blijkt dat de verdachte geen belanghebbende is bij het bewijs in rechte nietig te laten verklaren. Dit levert strijd op met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) respectievelijk artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
- Tot slot gaat het om het gebruik van oncontroleerbaar bewijs, zonder dat er afdoende maatregelen ter compensatie van de verdedigingsrechten worden getroffen, wat in strijd is met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).
Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de door het Franse Cour de Cassation gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (hierna: HvJEU). Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht de rechtbank zelf prejudiciële vragen te laten stellen aan het Hof van Justitie.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank sluit zich aan bij wat is overwogen in de hiervoor genoemde uitspraken over de feitelijke gang van zaken in het onderzoek naar Encrochat. Hieruit volgt dat in het geval van Encrochat sprake is geweest van de inzet van een interceptietool, in een door de Franse autoriteiten uitgevoerd opsporingsonderzoek, welke tool is ingezet met toestemming van een Franse rechter en op basis van Frans recht. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, en dat het niet aan de rechtbank is om de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen van de Franse autoriteiten te toetsen. Dit is anders wanneer blijkt dat het in Frankrijk verrichte opsporingsonderzoek en het daaruit verkregen bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht.
De rechtbank is van oordeel dat het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten geen onderzoekshandelingen opleveren waarvan gezegd kan worden dat de uitvoering hiervan (mede) onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is gedaan. De rechtbank sluit zich aan bij en verenigt zich met wat het gerechtshof
’s-Hertogenbosch in haar arrest van 22 augustus 2025 op dit punt heeft overwogen:
“(…) de wijze van interceptie maakt niet dat de locatie van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden (ook) in Nederland is geweest dan wel hierdoor naar Nederland verplaatste, hetgeen immers zou impliceren dat die locatie ook met een gebruiker mee verplaatste als deze zich over een of meer landsgrenzen begaf. Nee, de tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons).”
Het vorenstaande betekent dat Nederland geen rechtsmacht heeft waar het de interceptie betreft van de gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied. Het vertrouwensbeginsel is dus onverkort van toepassing.
Voorts overweegt de rechtbank dat de overdracht van de door de Franse opsporingsautoriteiten verkregen data aan Nederland plaatsvond op basis van een tussen Frankrijk en Nederland gesloten JIT-overeenkomst. Dat voorafgaand aan en binnen het JIT overleggen zijn geweest tussen de Nederlandse en Franse opsporingsautoriteiten en dat er intensief is samengewerkt maakt de conclusie ten aanzien van het voorgaande niet anders.
Wat betreft de uitspraak van het Cour de Cassation en de aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen overweegt de rechtbank dat de verdachte geen belang heeft bij een antwoord op die vragen. Zoals overwogen heeft Frankrijk de verkregen berichten op basis van de JIT-overeenkomst aan Nederland verstrekt. Dat is een wezenlijk andere situatie dan in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van het Cour de Cassation. In die zaak heeft het Duitse Openbaar Ministerie op basis van een EOB aan de Franse autoriteiten verzocht tot overdracht van de verkregen Encrochatberichten. Zoals gezegd is dat hier niet aan de orde. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in dit kader zelf prejudiciële vragen te stellen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het stellen van prejudiciële vragen door het Franse Cour de Cassation niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen in Encrochatzaken. Eerder zijn er aanwijzingen te vinden voor het tegendeel in eerdere door de Cour de Cassation gedane uitspraken (vgl. het arrest van 11 oktober 2022, ECLI:FR:CCASS:2022:CR01226).
Betrouwbaarheid van de Encrochatberichten
De Hoge Raad heeft reeds geoordeeld dat uit het vertrouwensbeginsel volgt dat de van Frankrijk verkregen data in beginsel betrouwbaar zijn. Daarnaast heeft het NFI onderzoek gedaan naar de juistheid van de uit Frankrijk ontvangen berichten door deze data te vergelijken met de data van een aantal in Nederland in beslag genomen Encrochattelefoons. Bij dat onderzoek is niet gebleken van onregelmatigheden waardoor getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de berichten. Door de verdediging is verder onvoldoende naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de verkregen gegevens. De verdediging is voorts in de gelegenheid gesteld om de Encrochat datasets op juistheid te onderzoeken.
Ontbreken rechtsbescherming
Gelet op de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel is de taak van de rechtbank met betrekking tot het verkregen bewijs beperkt tot het waarborgen van de ‘overall fairness’ van de strafzaak tegen de verdachte. Dat houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat de wijze waarop van de resultaten van de buitenlandse onderzoeken in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk mag maken op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen, ook niet in de door de advocaat aangehaalde uitspraken, waaruit zou kunnen blijken dat in het Franse onderzoek sprake is geweest van een evidente schending van artikel 6 EVRM dan wel een schending van artikel 8, die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Conclusie
De rechtbank ziet gezien het vorenstaande geen redenen om te twijfelen aan de rechtmatigheid dan wel betrouwbaarheid van de verkregen Encrochatberichten. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat om deze berichten van het bewijs uit te sluiten.
Is medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker geweest van de Encrochataccounts [Encrochat account 1 medeverdachte 1] en [Encrochat account 2 medeverdachte 1] ?
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek aan de Encrochatberichten, verstuurd door de accounts [Encrochat account 1 medeverdachte 1] en [Encrochat account 2 medeverdachte 1] , vast dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker geweest is van deze twee Encrochataccounts. Redengevend daarvoor vindt de rechtbank, onder meer, het bericht van 8 april 2020, waarbij door de gebruiker [Encrochat account 1 medeverdachte 1] een schermafbeelding van zijn telefoon wordt verstuurd waarop een betaalrekening op naam [medeverdachte 1] zichtbaar is, en een aantal bij- en afschrijvingen, waaronder een afschrijving naar de bankrekening op naam van de stiefzus van de medeverdachte en een bijschrijving naar de bankrekening op naam van [bedrijf 1] . Daarnaast stuurt de gebruiker [Encrochat account 1 medeverdachte 1] op 2 april 2020 aan een ander account dat die persoon ‘ook bij zijn zaak in [plaats] kan komen’, waarna de gebruiker een routebeschrijving naar het bedrijf aan de [adres] in [plaats] stuurt, op welke locatie het bedrijf van de medeverdachte gevestigd is.
Op basis van het bericht van [Encrochat account 1 medeverdachte 1] van 16 april 2020 stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het account [Encrochat account 1 medeverdachte 1] vanaf dat moment gebruik maakt van het Encrochataccount [Encrochat account 2 medeverdachte 1] . Dat de medeverdachte gebruiker van het account [Encrochat account 2 medeverdachte 1] is geweest, baseert de rechtbank ook op onder meer de berichten van 17, 21 en 28 april 2020 en de berichten van 1 mei 2020.
Uit de berichten van april in samenhang met de historisch verkeersgegevens van het aan de medeverdachte toegeschreven mobiele telefoonnummer ( [telefoonnummer medeverdachte 1] ) blijkt dat de mobiele telefoon van de medeverdachte op die locaties is of verbinding maakt met de zendmasten die aansluiten bij de route en/of locaties genoemd in de door gebruiker [Encrochat account 2 medeverdachte 1] verstuurde Encrochatberichten.
Uit het bericht van 1 mei 2020 om 11.07 uur blijkt dat gebruiker [Encrochat account 2 medeverdachte 1] zijn Golf kwijt wil, omdat hij de dag daarvoor in Amsterdam aangehouden is en zijn auto doorzocht is. Uit politiemutaties blijkt dat de medeverdachte op 1 mei 2020 om 00.10 in Amsterdam werd gecontroleerd als bestuurder van een witte Volkswagen Golf. Daarnaast blijkt uit de historisch zendmastgegevens van het mobiele telefoonnummer van de verdachte dat het nummer op 1 mei 2020, om 00.02 uur contact maakt met een zendmast in Amsterdam.
Is verdachte de gebruiker geweest van het Encrochataccount [Encrochat account verdachte] ?
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek aan de Encrochatberichten, verstuurd door het account [Encrochat account verdachte] , vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van dit Encrochataccount. Redengevend daarvoor vindt de rechtbank, onder meer, de berichten van 15 en 16 april 2020 tussen [Encrochat account verdachte] en de gebruiker [chataccount] . In die berichten verwijst de gebruiker naar zijn zoon, die de gebruikersnaam [Encrochat account 2 medeverdachte 1] heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de medeverdachte (de zoon van de verdachte) de gebruiker geweest is van het Encrochataccount [Encrochat account 2 medeverdachte 1] . De enkele opmerking van de verdediging dat de bewoordingen ‘pa’ of ‘ouwe’ wel vaker als bijnamen voor een ouder persoon worden gebruikt en daarmee het account [Encrochat account verdachte] niet aan de verdachte kan worden gekoppeld volgt de rechtbank niet. Het gebruik van het woord ‘zoon’ is dermate specifiek, in combinatie met de vaststelling dat de beide gebruikers met elkaar samenwerken, dat de rechtbank buiten redelijke twijfel vaststelt dat [Encrochat account verdachte] de verdachte is. De rechtbank wijst verder nog op het bericht van 6 april 2020 tussen de beide gebruikers waaruit volgt dat verdachten weed hebben liggen in Zeist die ‘anders gaat stinken’ en al ‘aardig ruikt’.
Handel in softdrugs (feit 2)
De politie heeft de Encrochatberichten, verstuurd door de verdachte met het Encrochataccount [Encrochat account verdachte] , in de periode tussen 4 april 2020 tot en met 28 mei 2020, geanalyseerd.
De rechtbank stelt vast dat in de chatgesprekken die worden gevoerd regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. De politie heeft op basis van ervaring in onderzoeken naar zware georganiseerde criminaliteit en/of naslag op relevante internetsites duiding gegeven aan verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. Deze duiding is in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. De rechtbank verenigt zich dan ook met die uitleg van de politie.
De rechtbank acht op basis van die berichten, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich, als zijnde de gebruiker van het Encrochataccount [Encrochat account verdachte] , in de periode tussen 4 april 2020 en 26 mei 2020, onder andere samen met de medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan het verstrekken, vervoeren en het voorhanden hebben van verdovende middelen in de vorm van hennep en hasj.
Wat betreft de periode voor 4 april 2020 en na 26 mei 2020 overweegt de rechtbank het volgende. Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte zich voor of na deze periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Vóór 4 april 2020 bevat het dossier geen Encrochatberichten die hierop wijzen. Wat betreft de periode na 26 mei 2020 overweegt de rechtbank het volgende. Het enkele feit dat op 20 april 2022, dus bijna twee jaar na het laatste belastende Encrochatbericht, bij de doorzoeking van het pand aan de [adres] in [plaats] soft- en harddrugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet de conclusie dat de verdachte zich dus ook in de tussenliggende periode daaraan schuldig moet hebben gemaakt. De verdachte zal voor deze perioden partieel vrijgesproken worden.
De rechtbank is daarbij, gelet op de grote hoeveelheden verhandelde softdrugs, de bewezenverklaarde periode, de hoeveelheid tegencontacten en het aantal verkooptransacties, van oordeel dat de verdachte het feit heeft gepleegd in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Handel in cocaïne (feit 6)
De politie heeft de Encrochatberichten, verstuurd door de verdachte met het Encrochataccount [Encrochat account verdachte] , in de periode tussen 10 april 2020 tot en met 12 juni 2020, geanalyseerd.
De rechtbank stelt vast dat in de chatgesprekken die worden gevoerd regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. De politie heeft op basis van ervaring in onderzoeken naar zware georganiseerde criminaliteit en/of naslag op relevante internetsites duiding gegeven aan verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. Deze duiding is in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. De rechtbank verenigt zich dan ook met die uitleg van de politie.
De rechtbank acht op basis van die berichten, in onderling verband en in samenhang bezien, dat de verdachte zich, als zijnde de gebruiker van het Encrochataccount [Encrochat account verdachte] , in de periode tussen 10 april 2020 tot en met 12 juni 2020, samen met anderen, schuldig gemaakt heeft aan het vervoeren, verstrekken en voorhanden hebben van cocaïne.
De rechtbank leidt dit af uit de berichten die zijn verstuurd tussen de medeverdachte en de gebruiker met de naam [gebruiker 2] tussen 11 en 16 april 2020. Daarnaast blijkt uit de berichten dat op 10 juni 2020 de medeverdachte bij de verdachte informeert of hij nog blokken nodig heeft, waarna een afbeelding van een wit blok aan de verdachte wordt gestuurd. Daarop reageert de verdachte dat hij grammen wil, waarna de medeverdachte de ‘colo’ naar hem toe laat komen.
Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte zich ook in de periode voor 10 april 2020 en na 12 juni 2020 schuldig gemaakt heeft aan de handel in cocaïne. Vóór 10 april 2020 bevat het dossier geen Encrochatberichten die hierop wijzen. Wat betreft de periode na 12 juni 2020 overweegt de rechtbank het volgende. Het enkele feit dat op 22 april 2022 bij de inval in het pand van de medeverdachte, aan de [adres] in [plaats] , cocaïne is aangetroffen, levert op zichzelf onvoldoende bewijs op voor de vaststelling dat de verdachte dus in de gehele tussenliggende periode van bijna twee jaar zich schuldig is blijven maken aan de handel in cocaïne. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van de periode gelegen tussen 20 maart 2020 en 10 april 2020 en de periode gelegen tussen 13 juni 2020 en 20 april 2022.
De rechtbank zal de verdachte ook partieel vrijspreken van de ten laste gelegde in- en export van cocaïne, nu het dossier hiervoor geen bewijs bevat.
Inleiding feit 3, feit 4 en feit 5
Op 20 april 2022 heeft de politie een pand aan de [adres] te [plaats] en een woning aan de [adres] in [plaats] doorzocht. In het pand aan de [adres] in [plaats] is het bedrijf van de medeverdachte gevestigd met de naam [bedrijf 2] B.V.’. Aanleiding voor de doorzoekingen was een op basis van TCI-informatie ontstane verdenking tegen de verdachte dat hij zich bezig zou houden met het organiseren van illegale pokeravonden. Bij de doorzoekingen zijn vuurwapens en verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast is in een ruimte in het pand aan de [adres] een zogenaamde pokertafel aangetroffen. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt heeft aan het voorhanden hebben van verdovende middelen en het zonder vergunning organiseren van pokeravonden. Over het voorhanden hebben van het vuurwapen heeft de rechtbank hiervoor al geoordeeld dat de verdachte vrij moet worden gesproken van deze beschuldiging (feit 1).
Feiten 3 en 5 – voorhanden hebben hennep, hasj en cocaïne
Bij de doorzoeking van het pand is een zwarte gesealde strijkzak aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat in deze zak gedroogde henneptoppen zaten, met een gewicht van in totaal 996,17 gram. Deze zak is aangetroffen in ruimte 1 (opslagruimte) onder een tafel.
Verder is in ruimte 2 (kantoor), in een bureaulade, een witte plastic tas aangetroffen. In die tas zaten een aantal blokken, te weten drie hele en twee halve blokken. Uit onderzoek blijkt dat dit hasjblokken zijn, met een totaalgewicht van 398,60 gram.
Tot slot is bij de doorzoeking, in een Peugeot, in een verborgen ruimte in de kofferbak, een tas aangetroffen. In deze tas zaten 10 blokken. Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om 9 blokken hasj, met een totaalgewicht van 8.883 gram en één blok cocaïne van 970 gram.
In de tas is verder een medicijndoosje aangetroffen, met daarop een etiket, op naam van [medeverdachte 1] , geboortedatum [1992] . Dit is de geboortedatum van de zoon van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] .
De advocaat stelt dat de verdachte niet wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in het pand en/of de Peugeot.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel en/of de middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel en/of de middelen in zijn machtssfeer aanwezig is of zijn geweest.
Een deel van de verdovende middelen is aangetroffen in het pand van de medeverdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij bijna dagelijks in het pand van de medeverdachte aanwezig was. Hij hielp mee in het bedrijf van de medeverdachte. De zwarte gesealde zak en de witte plastic tas lagen op voor de verdachten toegankelijke plekken. De witte plastic tas lag in een bureaulade in een ruimte die als kantoor werd gebruikt. Verder zijn op het bureau en in verschillende bureauladen diverse telefoons en kentekenbewijzen aangetroffen. Daarnaast zijn in een stellingkast in de garage van het pand meerdere nog niet gebruikte strijkzakken gevonden, soortgelijk aan die waarin de gedroogde henneptoppen zaten.
De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat op 20 april 2022 de verdovende middelen, toen de politie met veel geweld het pand binnenviel, door een van de andere aanwezigen op de genoemde plekken zijn achtergelaten. De verdediging wekt die suggestie, terwijl daar door niemand over is verklaard. Ook is er niet verklaard over het naar binnen brengen van grote pakketten of tassen door gasten waar de drugs in had kunnen zitten. Het is verder onwaarschijnlijk dat een gast op de benedenverdieping in de stellingkast in de garage – waar de politie binnenviel – soortgelijke lege, nog niet gebruikte, strijkzakken in alle haast heeft weggelegd. De verdachten geven hierover ook geen aannemelijke verklaring.
De medeverdachte had een bedrijf dat zich bezighield met de in- en verkoop van auto’s. De verdachte zelf heeft net als de medeverdachte jarenlang een eigen bedrijf gehad. Ook dit bedrijf hield zich bezig met de in- en verkoop van auto’s. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zowel de verdachte als de medeverdachte meer verstand hebben van auto’s dan de gemiddelde Nederlander. De Peugeot, met daarin de verborgen ruimte, staat sinds 6 oktober 2021 op naam van het bedrijf van de medeverdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij de Peugeot in oktober 2021 heeft gekocht. Uit de Whatsappgesprekken tussen verdachte en medeverdachte blijkt dat na aankoop van de Peugeot reparatiewerkzaamheden aan de Peugeot zijn verricht en dat zowel de verdachte als de medeverdachte allebei gebruik maakten van de Peugeot. Verder lag in de tas in de verborgen ruimte een medicijndoosje, dat kennelijk kort na aanschaf van de auto, aan de medeverdachte is verstrekt. Deze kan niet in de tas zijn gevallen bij het openen van de verborgen ruimte door de politie zoals door de verdediging is gesuggereerd. Uit het dossier blijkt namelijk dat de verborgen ruimte niet door de politie is opengebroken, maar dat de ruimte is geopend via een zogenaamde 12 volt omleiding. Om de ruimte te kunnen openen moet het voertuig aan staan en 12 volt op het slot worden geactiveerd, de klep gaat vervolgens via de gasveer open, waarna de klep verder handmatig te openen is. Deze op professionele wijze ingebouwde verborgen ruimte moet ook door de verdachten zijn gezien als gelet op hun verklaring zij de auto hebben aangekocht van iemand uit het criminele circuit. De verdachten hadden immers jarenlange ervaring met de handel in auto’s. De rechtbank gelooft daarom de verklaring van de verdachte(n) niet.
Tot slot weegt de rechtbank voor de verdere overtuiging mee dat uit de Encrochatberichten blijkt de verdachte en de medeverdachte zich in 2020 samen bezig hebben gehouden met de handel in verdovende middelen en toen ook hennep, hasj en cocaïne voorhanden hebben gehad.
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 20 april 2022, samen met een ander, een hoeveelheid van 996,17 gram, henneptoppen en 9.281,60 gram hasj voorhanden heeft gehad (feit 3). Op grond van het voorgaande is ook wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 20 april 2022, samen met een ander, 970 gram cocaïne voorhanden heeft gehad (feit 5).
Feit 4 – organisatie illegale pokeravonden
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 20 april 2022 bij de doorzoeking van het pand aan de [adres] , in een ruimte op de eerste verdieping, een pokertafel is aangetroffen. Het betrof een ovale tafel, verdeeld in 9 vakken, met een gedeelte waarin geldfiches geplaatst konden worden. Op de tafel lagen in de verschillende vakken fiches en speelkaarten. De aangetroffen situatie is door de politie beoordeeld. Uit die beoordeling blijkt dat de wijze waarop de beschreven kaarten, fiches en dealerbutton op de aangetroffen pokertafel lagen, overeenkomt met de wijze waarop het spel poker gespeeld wordt. Uit de wijze waarop de fiches aan de rand van het spelersvak bij de spelersplaatsen waren geplaatst, maakt de politie op dat kort voor het binnentreden nog acht spelers aan het pokerspel deelnamen en dat er sprake was van een vaste dealer die achter de fichebak zat. Tot slot wordt door de in het pand aanwezigen personen bevestigd dat er die avond gepokerd werd, waarbij door de aanwezigen ook verklaard wordt dat sprake was van een buy-in en een aan de organisatie te betalen vergoeding. De rechtbank gaat voorbij aan de veel later door de aanwezigen afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris waarbij zij hun eerdere verklaring in veel gevallen nuanceren en zeggen dat er slechts sprake zou zijn van ‘tientjeswerk’. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de eerdere verklaringen die kort na de inval zijn afgelegd. De aanwezigen werden toen als verdachten gehoord, hebben (ook voor zichzelf) belastend verklaard en geven vrijwel allemaal aan dat zij wel wisten dat deze pokeravonden niet waren toegestaan. Ook valt op dat velen in de eerdere verklaring niet willen noemen wie de organisator was van de pokeravonden omdat zij die persoon ‘niet in de problemen wilden brengen’.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 maart 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0952) geoordeeld dat poker als een kansspel aangemerkt moet worden. Voor het aanbieden van poker is uitsluitend een vergunning verleend aan Holland Casino. Het pand van de (mede)verdachte is geen vestiging van Holland Casino. De rechtbank acht op grond hiervan overtuigend bewezen dat er op 20 april 2022 sprake was van het zonder vergunning organiseren van een kansspel. De rechtbank leidt uit de politiemutaties en de verklaringen van de aanwezigen af dat vanaf 4 oktober 2018 tot 20 april 2022 zonder vergunning pokeravonden in het pand van de verdachte en later medeverdachte georganiseerd werden. Nadat het bedrijf van de verdachte opgeheven werd in 2019 heeft de medeverdachte namelijk zijn bedrijf in het pand voortgezet. Uit de politiemutaties blijkt dat er vanaf 4 oktober 2018 op verschillende data door de politie geconstateerd is dat op de woensdagavond bij het pand van de verdachte verschillende personen aanwezig zijn. Het gaat om personen, afkomstig uit heel Nederland, met politiemutaties die zien op overtreding op de Wet op de kansspelen en/of illegaal gokken. Ook de aanwezigen zelf verklaren dat zij al geruime tijd, in sommige gevallen, al jaren in het pand van de verdachte deelnemen aan pokeravonden op de woensdag.
Resteert de vraag op welke wijze de verdachte betrokken geweest is bij het organiseren van deze pokeravonden.
De verdachte was tot medio oktober 2019 de huurder van het pand. In oktober 2019 is het bedrijf van de verdachte opgeheven. De verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van de organisator van het pokertoernooi ( [A] ) het door hem gehuurde pand aan de [adres] aan de organisator ter beschikking heeft gesteld. De verdachte heeft ook verklaard dat hij destijds geholpen heeft de op 20 april 2022 aangetroffen pokertafel naar boven te tillen. Na oktober 2019 was het bedrijf van de medeverdachte op de [adres] gevestigd. Ook hebben de verdachte en later de medeverdachte de betreffende ruimte in het pand geschikt gemaakt en langdurig ter beschikking gesteld aan de organisator van de pokeravonden. Daarnaast blijkt uit de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte dat zij deelnamen aan de pokeravonden en dat zij elkaar op de hoogte hielden van het verloop van die avonden.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel niet blijkt dat de verdachte en/of de medeverdachte de pokeravonden georganiseerd hebben, het zonder hun bijdrage, in de vorm van het langdurig ter beschikking stellen van hun pand en ruimte, voor de organisator niet mogelijk was geweest om aldaar in deze vorm op professionele wijze pokeravonden te organiseren.
De rechtbank is van oordeel dat deze bijdrage van de verdachte en de medeverdachte aan het organiseren en promoten van deze illegale pokeravonden kwalificeert als medeplegen van medeplichtigheid. Verdachten zijn samen behulpzaam geweest bij het faciliteren van de pokeravonden. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde medeplegen.
De rechtbank acht feit 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.