Op 4 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres, vertegenwoordigd door mr. E. Hoekstra, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Eiseres had beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar bezwaarschrift van 26 juni 2024. De rechtbank oordeelde dat verweerder te laat was met het nemen van een beslissing, wat ook door verweerder werd erkend in zijn verweerschrift van 20 oktober 2025. De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling op 14 april 2025 was ontvangen en dat sindsdien de wettelijke termijn van twee weken was verstreken.
De rechtbank besloot dat verweerder alsnog binnen twee maanden na de uitspraak een beslissing moest nemen op het bezwaar van eiseres. Tevens werd er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres kreeg ook recht op een vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 53,- moest door verweerder aan eiseres worden betaald. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.