In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om proceskostenvergoeding van verzoekster, die in beroep was gegaan tegen een besluit van verweerder, de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap. Verweerder had op 22 februari 2024 een besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond was verklaard. Op 29 april 2025 heeft verweerder echter een gewijzigde WOZ-waarde vastgesteld, waar verzoekster mee instemde en haar beroep introk, met het verzoek om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelde dat verweerder in de proceskosten moest worden veroordeeld, omdat verzoekster in beroep was gekomen en verweerder haar tegemoet was gekomen. De proceskosten voor de beroepsfase zijn vastgesteld op € 226,75. Er was echter een geschil over de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, waarbij verweerder stelde dat hij alleen de kosten voor de beroepsfase hoefde te vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster ook recht had op vergoeding van de kosten in de bezwaarfase, omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat er geen kosten in rekening zouden worden gebracht voor de bezwaarfase.
De totale proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 388,50, inclusief het griffierecht dat door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed. De uitspraak is openbaar uitgesproken door rechter J. Wolbrink, in aanwezigheid van griffier S.N. Lekatompessij.