Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1087

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3918
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIATweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 32716, nr. 44
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WIA-voorschot op grond van Afwegingskader door UWV

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd en ontving een voorschot, dat later door het UWV werd teruggevorderd omdat eiser geen recht had op de uitkering. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het UWV zich niet mocht baseren op het Afwegingskader en dat er sprake was van dringende redenen om terugvordering te matigen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV zich terecht baseerde op het Afwegingskader, dat als interne vaste gedragslijn geldt, en dat de Kamerbrief geen zelfstandige beleidsregel is. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, mede omdat eiser over dezelfde periode een WW-uitkering ontving.

Verder is geen dringende reden aanwezig om af te zien van terugvordering. Het UWV heeft alle relevante feiten meegewogen, waaronder het eigen aandeel van eiser en het UWV. De financiële gevolgen en betalingsregeling maken terugvordering gerechtvaardigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van het WIA-voorschot wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het voorschot terugvorderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van een voorschot op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2
Met het besluit van 22 november 2024 heeft het Uwv van eiser het over de periode 10 juni 2024 tot en met 1 november 2024 toegekende WIA-voorschot tot een bedrag van € 4.545,65 teruggevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek gesloten.
1.4
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het Uwv om een nadere toelichting te vragen over de toepassing van het door het Uwv opgestelde Afwegingskader [1] ten aanzien van de verstrekte WIA-voorschotten in de specifieke situatie van eiser. Met de brief van 10 november 2025 heeft het Uwv dit gedaan. Eiser heeft hierop gereageerd met zijn brief van 2 december 2025. Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het terugvorderen van het betaalde voorschot terecht is. Dat doet zij aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan de besluitvorming vooraf ging
3.1
Eiser heeft op 4 maart 2024 een WIA-uitkering aangevraagd bij het Uwv. Met het besluit van 17 juni 2024 heeft het Uwv aan eiser laten weten meer tijd nodig te hebben voor de beoordeling van de aanvraag om de WIA-uitkering en dat eiser daarom per 10 juni 2024 maandelijks een voorschot krijgt op de WIA-uitkering ter hoogte van € 932,64 bruto.
3.2
Op 25 oktober 2024 heeft het Uwv beslist dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 22 november 2024 heeft het Uwv het betaalde voorschot op de WIA-uitkering over de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 november 2024 tot een bedrag van € 4.545,65 bruto teruggevorderd van eiser. Eiser heeft op 24 november 2024 een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) gedaan. Met het besluit van 10 december 2024 heeft het Uwv aan eiser per 10 juni 2024 een WW-uitkering toegekend. De eerste maanden ontvangt eiser per maand € 999,29 bruto en vanaf de derde maand ontvangt eiser € 932,67 bruto per maand aan WW-uitkering.
Standpunten van partijen
Standpunt van eiser
4.1
Eiser voert aan dat het Uwv de terugvordering had moeten kwijtschelden op grond van de Kamerbrief Evaluatie Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen uit 2020-2021 [2] (hierna: de Kamerbrief). Het Uwv mag niet uitgaan van voorwaarden en eisen, zoals neergelegd in het Afwegingskader. Het Afwegingskader is niet schriftelijk in een besluit vastgelegd of op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en kan daarom niet gezien worden als een beleidsregel. Eiser verwijst hierbij naar twee uitspraken van de Rechtbank Overijssel [3] waarin tot de conclusie is gekomen dat het Uwv in soortgelijke situaties zich niet heeft kunnen baseren op het Afwegingskader.
4.2
Eiser stelt verder dat sprake is van dringende reden om af te zien van terugvordering. Het Uwv heeft volgens eiser namelijk onvoldoende rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden, met name het eigen aandeel van het Uwv, bij het besluit tot terugvordering. Eiser was genoodzaakt om een WIA-voorschot aan te vragen omdat hij anders zonder inkomen zou zitten en dat is een gevolg van het feit dat het Uwv te lang over de WIA-beoordeling heeft gedaan. De gevolgen van een te late beoordeling moet bij het bestuursorgaan liggen en niet bij eiser. Ook heeft het Uwv onvoldoende meegewogen dat eiser door toedoen van het Uwv lange tijd in onzekerheid heeft gezeten en dat het Uwv onduidelijk is geweest over wanneer een voorschot niet terug hoeft te worden betaald. Zo heeft het Uwv in het besluit van 17 juni 2024 meegedeeld dat wanneer er een voorschot wordt verstrekt, dat meestal niet hoeft te worden terugbetaald. Ook heeft het Uwv geen rekening gehouden met het feit dat eiser een Ziektewetuitkering toegekend heeft gekregen. Ten slotte voert eiser aan dat hij niet in staat is om het voorschot terug te betalen, omdat hij geen inkomen heeft. Dit alles zou voor eiser in ieder geval moeten leiden tot matiging van het bedrag dat wordt teruggevorderd.
Standpunt van het Uwv
5.1
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat in eisers geval geen sprake is van een situatie waarin op grond van het Afwegingskader de terugvordering moet worden kwijtgescholden. Ook is geen sprake van een dringende reden om af te zien van terugvordering.
5.2
Het Uwv wijst erop dat eiser weliswaar binnen de doelgroep voor de toepassing van het herstelbeleid uit de Kamerbrief valt, omdat aan eiser na 1 januari 2020 een WIA-voorschot is verstrekt in afwachting van de sociaal-medische beoordeling per einde wachttijd, maar dat eiser niet voldoet aan het eerste criterium uit het Afwegingskader, dat de cliënt te maken heeft gekregen met een volledige of gedeeltelijke terugvordering van het door Uwv verstrekte voorschot omdat de WIA claimbeoordeling te laat heeft plaatsgevonden. Aan dit criterium kan worden voldaan in de volgende situaties:
Er is géén recht op een WIA-uitkering of WW-uitkering over dezelfde periode als het WIA-voorschot, waardoor het verstrekte voorschot in het geheel is teruggevorderd en niet kan worden verrekend;
Er is sprake van een kortdurende WW-uitkering, waardoor het verstrekte WIA-voorschot niet volledig kan worden verrekend;
Het verstrekte WIA-voorschot is door Uwv hoger vastgesteld dan de uitkering waar recht op is, waardoor het verstrekte voorschot niet volledig kan worden verrekend.
In het geval van eiser is de uitbetaalde WW-uitkering hoger dan het verstrekte WIA-voorschot. Dat betekent dat eiser niet voldoet aan het eerste criterium omdat er geen sprake is van één van de bovenstaande drie situaties, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor (gedeeltelijke) kwijtschelding van de terugvordering. Ook de WW-aanvraag binnen twee maanden na het terugvorderingsbesluit kan niet tot kwijtschelding leiden omdat voorschotten slechts worden kwijtgescholden voor zover er geen andere uitkering is.
5.3
Verder merkt het Uwv op dat eiser is gewezen op de mogelijkheid dat het betaalde voorschot terugbetaald moet worden, bijvoorbeeld in de beslissingen van 17 juni 2024 en 25 oktober 2024. Daarnaast kon geen sprake zijn van verrekening met de Ziektewetuitkering van eiser omdat de ziekmelding van eiser dateert van 23 december 2024, na de datum van het terugvorderingsbesluit.
Het oordeel van de rechtbank
6.1
Tussen partijen is in geschil of het Uwv (gedeeltelijk) had moeten afzien van terugvordering van de onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten. Daarbij speelt allereerst de vraag wat de betekenis van het Afwegingskader en de Kamerbrief is. Verder is de vraag aan de orde of sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering.
Mocht het Uwv zich baseren op het Afwegingskader?
6.2
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich voor het terugvorderingsbesluit heeft mogen baseren op het Afwegingskader. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Kamerbrief geen zelfstandige betekenis heeft in het kader van een door het Uwv te nemen besluit over terugvordering van WIA-voorschotten. De Kamerbrief is geen beleidsregel en niet meer of minder dan een aankondiging van nog door het Uwv te formuleren beleid, waarvoor de Kamerbrief enige uitgangspunten noemt. Ook het Afwegingskader kan niet gezien worden als beleidsregel maar is naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als een interne vaste gedragslijn. [4] Totdat het Uwv het in de Kamerbrief aangekondigde beleid heeft geformuleerd, heeft het Uwv zich gebonden, en daarom ook te houden, aan het Afwegingskader als vaste gedragslijn. In geval van toepassing van een vaste gedragslijn, moet de aanvaardbaarheid daarvan wel in elk afzonderlijk geval aangetoond worden. [5] Het Uwv moet een terugvorderingsbesluit dat gebaseerd is op het Afwegingskader dus uitvoerig motiveren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dat gedaan. In het bestreden besluit en in de toelichting naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft het Uwv uitgelegd dat eiser weliswaar in de doelgroep valt, maar niet voldoet aan het eerste criterium van het Afwegingskader omdat eiser over dezelfde periode een WW-uitkering ontvangen heeft. Er kan alleen worden kwijtgescholden als er geen sprake is van een andere ontvangen uitkering. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de inhoud van de Kamerbrief en het Afwegingskader bedoeld zijn om te voorkomen dat mensen nadeel ondervinden van het handelen van het Uwv. Dat is hier niet het geval omdat sprake is geweest van een dubbele betaling, namelijk het voorschot en de WW-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd waarom de toepassing van het Afwegingskader in het geval van eiser aanvaardbaar is en waarom eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding.
Is sprake van een dringende reden om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering?
6.3
Op grond van artikel 77 van Pro de Wet WIA kan het Uwv alleen afzien van terugvordering van ten onrechte betaalde WIA-voorschotten, wanneer sprake is van een dringende reden.
6.4
Het is vaste rechtspraak [6] dat het begrip dringende reden moet worden gezien als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving.
6.5
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering van het betaalde voorschot aan eiser. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank in de situatie van eiser alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Het is inherent aan het karakter van een voorschot dat het een voorlopige betaling betreft en dat sprake kan zijn van terugvordering als achteraf blijkt dat toch geen recht bestaat op uitkering. Eiser is hierop gewezen in het besluit van 17 juni 2024. Dat in dit besluit ook is vermeld dat een voorschot meestal niet hoeft te worden terugbetaald als het is verleend omdat het Uwv te laat was met het beoordelen van de gezondheid, doet hier niet aan af.De rechtbank ziet niet in dat het Uwv hiermee de indruk heeft gewekt dat eiser het voorschot niet hoefde terug te betalen. [7] Verder heeft het Uwv terecht ook van belang geacht dat de aan eiser toegekende WW-uitkering hoger is dan de verstrekte maandelijkse voorschotten en dat het Uwv de WW-uitkering en de voorschotten dus geheel met elkaar had kunnen verrekenen, als eiser de WW-uitkering op tijd had aangevraagd. Eiser heeft de WW-uitkering te laat aangevraagd, hoewel hij door het Uwv in het besluit van 25 oktober 2024 op de mogelijkheid tot verrekening is gewezen. Met het eigen aandeel van het Uwv in het ontstaan van de terugvordering heeft het Uwv eveneens voldoende rekening gehouden door te toetsen aan het Afwegingskader. Ten slotte vormen de financiële gevolgen van de terugvordering ook geen dringende reden. Daarbij is van belang dat met eiser een betalingsregeling getroffen is waardoor hij het hele bedrag niet in één keer terug hoeft te betalen. Het is niet gebleken dat die betalingsregeling geen recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit – met inachtneming van de regels voor de beslagvrije voet – van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv terecht het betaalde voorschot van eiser heeft teruggevorderd. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er bestaat geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met het Afwegingskader wordt bedoeld de ter uitvoering van de Kamerbrief Evaluatie Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 32716, nr. 44) door het Uwv opgestelde interne gedragslijn in het kader van terugvordering van WIA voorschotten.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 32716, nr. 44.
3.De uitspraak van 9 augustus 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4255 en de uitspraak van 4 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1222.
4.Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4910.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1825.
6.Zie de uitspraak van 18 april 2024 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2024:726
7.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1585.