Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1089

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/8355
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228a Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid aanslag rioolheffing ondanks ontbreken aansluiting op gemeentelijk riool

Eiseres maakte bezwaar tegen een aanslag rioolheffing opgelegd door de gemeente Amersfoort voor een woning zonder aansluiting op het gemeentelijke riool. Zij stelde dat de heffing onterecht was omdat er geen directe of indirecte afvoer naar het gemeentelijk riool plaatsvindt en zij een eigen rioleringsvoorziening heeft.

De heffingsambtenaar verwees naar de Verordening rioolheffing Amersfoort 2024, waarin is bepaald dat de heffing dient ter dekking van de kosten van de gemeentelijke waterhuishouding en niet afhankelijk is van aansluiting op het riool. De rechtbank volgde dit standpunt en benadrukte dat de gemeenteraad ruime beleidsvrijheid heeft bij de invulling van de belastingverordening, mits de heffing niet onredelijk of willekeurig is.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat de rioolheffing een gebonden heffing is aan de bestemming, maar niet aan het gebruik. De heffing dient het algemene belang van de inwoners en het principe 'voor wat, hoort wat' is niet van toepassing.

Gelet hierop verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag rioolheffing terecht is opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanslag rioolheffing terecht is opgelegd ondanks het ontbreken van aansluiting op het gemeentelijke riool.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.E. Bletterman)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: R. Janmaat)

Procesverloop

1. In de beschikking van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar voor de [adres] in [plaats] (het object) een aanslag rioolheffing (eigenaar) van
€ 340,29 en een aanslag rioolheffing (gebruiker) van € 274,27 opgelegd.
2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 23 december 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffings-ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
4. De zaak is behandeld op de zitting van 23 januari 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft daaraan deelgenomen. Eiseres is niet verschenen.

Overwegingen

5. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag rioolheffing terecht heeft opgelegd aan eiseres. Dat legt zij hieronder uit.
6. Eiseres voert ten eerste aan dat er geen aansluiting op een gemeentelijke riolering aanwezig is en dat er evenmin sprake is van indirecte afvoer van welk water dan ook naar gemeentelijk riool. Daarom is de rioolheffing onterecht aan haar opgelegd. De woning van eiseres is gelegen in het bos en heeft een eigen rioleringsvoorziening en regenafwateringssysteem. Bovendien heeft de heffingsambtenaar nooit eerder een aanslag rioolheffing opgelegd aan eiseres.
7. De heffingsambtenaar licht toe in het verweerschrift dat uit de Verordening rioolheffing Amersfoort volgt, dat de kosten van waterzorgplichten van de gemeente op alle burgers mogen worden verhaald. De opbrengsten van de rioolheffing zijn bestemd om die waterzorgkosten te dekken. De eis voor een directe of indirecte aansluiting op het riool geldt niet meer. De reden daarvan is dat iedere belastingplichtige profijt heeft van de gemeentelijke waterhuishouding. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verder toegelicht dat het feit dat eiseres nooit eerder een aanslag opgelegd heeft gekregen omdat zij wellicht over het hoofd is gezien, niet maakt dat dat moet blijven gebeuren. Alle inwoners moeten daarin gelijk behandeld worden.
8. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 228a van de Gemeentewet, waarin de rioolheffing geregeld is, geen uitgeschreven voorschriften bevat over bijvoorbeeld de belastingplicht, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven en de tarieven. De gemeenteraad is dus vrij om aan deze elementen van de rioolheffing in de belastingverordening de invulling te geven die zij wenst. De enige grens die de Gemeentewet aangeeft is dat een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Die grote vrijheid wordt alleen beperkt als de invulling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de (rijks)wetgever bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffing te heffen, niet op het oog kan hebben gehad. [1]
9. In dit geval luidt artikel 1 van Pro de Verordening rioolheffing Amersfoort 2024 (de verordening) als volgt:
´Artikel 1 Aard Pro van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.´
Uit de verordening blijkt dat de geheven belasting wordt gebruikt om de kosten van de waterhuishouding in de gemeente Amersfoort te dekken, zoals bijvoorbeeld voor de inzameling van afvloeiend hemelwater. De verordening heeft dus ten doel dat de gemeente ervoor kan zorgen dat de waterhuishouding voor iedereen goed is geregeld. Daaruit volgt ook dat de heffing losstaat van gebruik van, of een aansluiting op, het gemeentelijke rioleringsstelsel. Zoals onder 8. overwogen staat het de gemeenteraad vrij om de verordening op deze manier in te vullen. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat er sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing.
De rechtbank verwijst nog naar een vergelijkbare zaak die is beoordeeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [2] , welke uitspraak is bevestigd door de Hoge Raad [3] . Daarin heeft het Hof de volgende overweging van de rechtbank geaccepteerd, opgenomen onder overweging 4.5:

Het punt is dat de rioolheffing in zekere zin weliswaar een gebonden heffing is, maar dat is alleen zo voor de ‘achterkant’ of de bestemming van de heffing. Daarmee bedoelt de rechtbank dat de gemeente de opbrengsten van de rioolheffing alleen mag besteden aan taken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. Aan de ‘voorkant’ van de heffing, dus als de gemeente het geld bij de burger ophaalt, hoeft zo’n verband er niet te zijn. De gemeente mag dus van elke gebruiker geld ophalen, als dat geld maar besteed wordt aan watertaken op het grondgebied van de gemeente. Daarbij maakt het niet uit dat bepaalde percelen geen (direct) belang hebben bij de door de gemeente getroffen voorzieningen op het gebied van hemel- en grondwater. De rioolheffing is in dat opzicht wel degelijk een echte belasting waarmee het algemene belang van de inwoners van de gemeente wordt gediend: het principe ‘voor wat, hoort wat’ geldt daar niet voor.”
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag rioolheffing terecht is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

10. Omdat de heffingsambtenaar de aanslag rioolheffing terecht heeft opgelegd, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:917 en Rechtbank Amsterdam van 28 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:232.
2.Uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:892.
3.Uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1579.