ECLI:NL:RBMNE:2026:1265
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Utrecht, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €643.000,- per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde in het bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarde aan de hand van een taxatiematrix met vijf referentiewoningen uit dezelfde wijk, die recentelijk zijn verkocht en vergelijkbare kenmerken hebben. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de woningwaarde per vierkante meter lager is dan die van de referentiewoningen.
Eiser voerde aan dat de woning onjuist was getypeerd en dat de WOZ-waarde te sterk was gestegen ten opzichte van voorgaande jaren en andere woningen in de straat. De rechtbank verwierp deze gronden, omdat de WOZ-waarde jaarlijks wordt vastgesteld op basis van actuele verkoopgegevens en de vergelijkingen met andere woningen niet identiek waren. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet.
Ten slotte wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat het bezwaar ongegrond was verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de vastgestelde WOZ-waarde van €643.000,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €643.000,- wordt ongegrond verklaard en de waarde bevestigd.