Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1608

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/6004
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op compensatie kinderopvangtoeslag over 2007 wegens ontbreken gedupeerdheid

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin zij niet als gedupeerde is aangemerkt voor het toeslagjaar 2007 binnen de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank beoordeelt dat de Dienst zich terecht heeft gebaseerd op verklaringen van de kinderopvanginstelling dat er geen opvang heeft plaatsgevonden.

De procedure omvatte een primaire compensatiebesluit, bezwaar en vervolgens beroep. De Dienst voerde aan dat de neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag in 2007 niet duidt op vooringenomenheid, omdat de informatie van de kinderopvanginstelling betrouwbaar was en eiseres niet heeft gereageerd op verzoeken om bewijsstukken.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst in redelijkheid mocht vertrouwen op de kinderopvanginstelling en dat er geen aanwijzingen zijn dat de Dienst had moeten twijfelen. Eiseres heeft geen aanvullende bewijsstukken aangeleverd en heeft het verzoek om een tegemoetkoming ingetrokken. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiseres geen compensatie over 2007.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de compensatie over 2007 wordt terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens dat zij over toeslagjaar 2007 niet als gedupeerde is aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. De reden daarvoor is dat de Dienst zich heeft mogen baseren op informatie van de kinderopvanginstelling dat geen kinderopvang is afgenomen.

Inleiding

1. Met het besluit van 23 juli 2025 (het primaire besluit) is aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst heeft aan het besluit het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen ten grondslag gelegd. Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat eiseres vindt dat zij over meer jaren recht heeft op compensatie.
2. Met het besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst. Eiseres was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De hersteloperatie toeslagen
5. Vanwege de toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.
6. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.
7. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de Compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.
Het toetsingskader
8. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. [1] De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. [2]
9. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid. [3]
10. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. [4]
Totstandkoming van het besluit
11. Eiseres heeft zich op 19 maart 2021 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 t/m 2008.
12. De Dienst heeft vervolgens een ‘lichte toets’ uitgevoerd en met het besluit van
19 maart 2022 bepaald dat eiseres recht heeft op € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarna heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. In de integrale beoordeling heeft de Dienst vastgesteld dat eiseres gedupeerde is over de jaren 2005 en 2008 en een aanvullende compensatie van € 15.159,- aan eiseres toegekend.
Reikwijdte van het beroep
13. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het beroep is alleen gericht tegen de vaststelling dat eiseres geen gedupeerde is over het jaar 2007. Op de zitting heeft eiseres het verzoek om een O/GS tegemoetkoming [5] ingetrokken. Ook heeft eiseres op de zitting toegelicht dat zij geen beroep doet op het evenredigheids- en het motiveringsbeginsel, maar dat zij deze beginselen heeft aangevoerd ter inkleuring van het beroep op vooringenomen handelen door de Dienst.
Toeslagjaar 2007
14. De kinderopvangtoeslag is in 2007 automatisch gecontinueerd voor een bedrag van € 12.984,-, omdat de stopzetting van kinderopvangtoeslag in 2006 nog niet was verwerkt. Van het voorschotbedrag is een bedrag van € 10.820,- uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Op 23 oktober 2007 is de kinderopvangtoeslag neerwaarts gecorrigeerd naar € 35,- naar aanleiding van een telefoongesprek met de kinderopvanginstelling op 8 oktober 2007, waarbij een medewerker heeft verklaard dat eiseres geen kinderopvang heeft afgenomen. De kinderopvanginstelling heeft nadien nagenoeg het gehele bedrag aan kinderopvangtoeslag terugbetaald aan de Dienst. Het verschil tussen het bedrag dat is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en de terugbetaling is voor een bedrag van € 423,- verrekend met de inkomensheffing en de zorgtoeslag van eiseres.
15. Op 24 juli 2009 heeft de Dienst aan eiseres een brief gestuurd met het verzoek om voor de periode 1 januari 2007 t/m 31 december 2007 de facturen en jaaropgaaf van de kinderopvang op te sturen. Ook heeft de Dienst op 23 maart 2010 opnieuw contact met de kinderopvanginstelling opgenomen, waarbij de kinderopvanginstelling heeft verklaard dat eiseres niet in het klantenbestand van 2007 voorkomt. De Dienst heeft ook de KOI-viewer geraadpleegd om te bezien of eiseres in 2007 kinderopvang heeft afgenomen. Dat is niet uit de KOI-viewer gebleken. Gelet hierop, en omdat eiseres niet heeft gereageerd op de brief van 24 juli 2009, heeft de Dienst de kinderopvangtoeslag op 4 mei 2010 op nihil vastgesteld.
Het standpunt van eiseres
16. Eiseres voert aan dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld, omdat het besluit van de Dienst om de kinderopvangtoeslag stop te zetten louter is gebaseerd op een telefoongesprek met de kinderopvanginstelling zonder dat uitvraag is gedaan bij eiseres. Eiseres had de gelegenheid moeten krijgen om aan te tonen dat zij wel kinderopvang heeft afgenomen, omdat de Dienst redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de gegevens van de kinderopvanginstelling.
Het standpunt van de Dienst
17. De Dienst stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de eerste neerwaartse bijstelling niet kwalificeert als een vooringenomen handeling, omdat de Dienst heeft mogen vertrouwen op de informatie van de kinderopvanginstelling. De Dienst verzoekt de rechtbank om het gebrek in het bestreden besluit op dit punt te passeren. [6] Subsidiair stelt de Dienst zich op het standpunt dat als sprake is geweest van vooringenomenheid, eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie omdat de geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan eiseres toerekenbaar zijn. Blijkens de Memorie van Toelichting is onder meer sprake van een ernstige onregelmatigheid als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht is op kinderopvangtoeslag. Dat is bijvoorbeeld het geval als in het geheel geen opvang is genoten. [7] Dat blijkt in het geval van eiseres uit de verklaring van de kinderopvanginstelling en haar eigen verklaring dat na juli 2006 geen gebruik meer is gemaakt van de kinderopvang.
18. De tweede bijstelling kwalificeert volgens de Dienst ook niet als een vooringenomen handeling, omdat de Dienst geen reden had om te twijfelen aan de informatie van de kinderopvanginstelling. Als vooringenomenheid moet worden aangenomen, dan stelt de Dienst zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op compensatie, omdat eiseres geen schade heeft geleden. Het voorschotbedrag van € 35,- is immers nooit bij eiseres teruggevorderd. Meer subsidiair stelt de Dienst zich op het standpunt dat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Hierbij betrekt de Dienst ook dat eiseres nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de bijstellingen. Dat had volgens de Dienst wel voor de hand gelegen, omdat eiseres – als zij gebruik zou hebben gemaakt van de kinderopvang- zelf de kosten had moeten voldoen.
Het oordeel van de rechtbank
19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst de aanvraag van eiseres om compensatie over 2007 afwijzen, omdat de Dienst terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen.
20. De hoogte van eiseres’ kinderopvangtoeslag is naar beneden bijgesteld naar aanleiding van informatie die is verstrekt door de kinderopvanginstelling. Uit rechtspraak volgt dat de Dienst in beginsel mag vertrouwen op informatie die is doorgegeven door de kinderopvanginstelling, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Dienst in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van die gegevens. [8] De rechtbank is met de stukken in het dossier en de toelichting ter zitting niet gebleken dat de Dienst had moeten twijfelen aan de informatie van de kinderopvanginstelling. De eerste neerwaartse bijstelling kwalificeert dus niet als een vooringenomen handeling. In tegenstelling tot het standpunt van de Dienst is in het bestreden besluit geen vooringenomenheid aangenomen, zodat van een motiveringsgebrek geen sprake is.
21. Ook voor de tweede neerwaartse bijstelling geldt dat de Dienst mocht uitgaan van de informatie van de kinderopvanginstelling, omdat de rechtbank geen aanknopingspunten heeft dat de Dienst in redelijkheid had moeten twijfelen aan de opvanggegevens van de kinderopvanginstelling. Ook is eiseres twee keer in de gelegenheid gesteld om facturen en de jaaropgaaf van 2007 te verstrekken om aan te tonen dat zij alsnog gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Hierop heeft eiseres niet gereageerd. Ook om deze reden is de rechtbank van vooringenomen handelen door de Dienst niet gebleken. Gelet hierop, slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het de Dienst het verzoek om compensatie over 2007 terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
4.Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.
5.Als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht.
6.Op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3562, rechtsoverweging 5.2 en de Rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5325, rechtsoverweging 12.