Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1627

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/16/610117 / KG ZA 26-210
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 2:15 BWArt. 10.2 KNVB Standaardvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen opheffing landelijk stadionverbod KNVB

Twee voetbalsupporters, een echtpaar met seizoenkaarten voor N.E.C., kregen na incidenten tijdens een wedstrijd tegen FC Utrecht een landelijk stadionverbod van 18 maanden opgelegd door de KNVB. Zij vorderden in kort geding opheffing, opschorting of matiging van dit verbod.

De rechtbank oordeelde dat het stadionverbod rechtsgeldig is opgelegd op basis van de KNVB Standaardvoorwaarden en Richtlijn termijn stadionverbod, die onderdeel uitmaken van de overeenkomst bij aankoop van een toegangsbewijs. De KNVB hoeft geen hoor en wederhoor toe te passen voorafgaand aan het verbod. Het vermoeden van schuld aan voetbalgerelateerd wangedrag, waaronder eenvoudige mishandeling en het gooien van voorwerpen, is aannemelijk gemaakt met verklaringen en bewijsstukken.

De rechtbank vond de duur van 18 maanden niet disproportioneel, gelet op de contractsvrijheid van de KNVB en het belang om voetbalgerelateerd wangedrag te bestrijden. De vorderingen werden afgewezen en beide eisers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt het landelijk stadionverbod van 18 maanden opgelegd door de KNVB.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/610117 / KG ZA 26-210
Vonnis in kort geding van 16 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND (KNVB),
te Zeist,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de KNVB,
advocaat: mr. M. van Dijk.
en in de zaak van:[eiseres],
te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND (KNVB),
te Zeist,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de KNVB,
advocaat: mr. M. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (niet betekende) dagvaarding naar aanleiding waarvan de KNVB vrijwillig is verschenen,
- de producties van [eiser] en [eiseres] ,
- de producties van de KNVB,
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn
gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] en [eiseres] ,
- de pleitnota van KNVB.
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 16 april 2026 (verkort) vonnis gewezen. Het onderstaande is de uitwerking/motivering hiervan en is opgemaakt op
29 april 2026.

2.De vorderingen

2.1.
Het gaat in dit kort geding om twee zaken:
  • een zaak tussen [eiser] en de KNVB, en
  • een zaak tussen [eiseres] en de KNVB.
Deze zaken zijn samen behandeld en hebben hetzelfde zaaknummer.
2.2.
De KNVB heeft zowel aan [eiser] als aan [eiseres] een landelijk stadionverbod opgelegd van 18 maanden.
2.3.
[eiser] en [eiseres] vorderen in dit kort geding:
  • primair dat de KNVB wordt geboden om het aan hen opgelegde stadionverbod op te heffen, althans dat de KNVB wordt verboden om het aan hen opgelegde stadionverbod nog langer te handhaven,
  • subsidiair dat het aan hen opgelegde stadionverbod met onmiddellijke ingang wordt opgeschort, althans wordt geschorst totdat daarop is beslist door de bodemrechter,
  • meer subsidiair dat het aan hen opgelegde stadionverbod wordt gematigd of wordt omgezet naar een lokaal stadionverbod en/of alternatieve straf en/of geldboete al dan niet totdat daarop is beslist door een bodemrechter.

3.De achtergrond van de zaken

3.1.
[eiser] en [eiseres] zijn getrouwd. Zij zijn allebei al jarenlang voetbalsupporter van N.E.C. en hebben voor het seizoen 2025-2026 een seizoenkaart voor business seats bij N.E.C..
3.2.
Op 11 februari 2026 hebben [eiser] en [eiseres] de voetbalwedstrijd tussen N.E.C. en FC Utrecht bijgewoond.
3.3.
Op 12 maart 2026 wordt door N.E.C. aan [eiser] (mondeling) een lokaal stadionverbod voor de duur van 6 maanden opgelegd, omdat hij tijdens deze voetbalwedstrijd een supporter van FC Utrecht een duw zou hebben gegeven waarbij de pet van het hoofd van deze supporter is gevallen.
3.4.
Op diezelfde dag (12 maart 2026) heeft [eiseres] met N.E.C. gesproken om dit verbod van de baan te krijgen. In dit gesprek heeft [eiseres] volgens N.E.C. onder andere gezegd dat zij met een beker heeft gegooid en dat de door de betrokken persoon opgelopen schade mogelijk (mede) daarvan het gevolg is geweest.
3.5.
[eiser] maakt vervolgens in een e-mail van 13 maart 2026 [1] bezwaar tegen het aan hem opgelegde lokale stadionverbod.
3.6.
In een e-mail van 19 maart 2026 [2] antwoordt N.E.C. aan [eiser] en [eiseres] dat het voorval tijdens de voetbalwedstrijd tussen N.E.C en FC Utrecht opnieuw is beoordeeld en dat zij naar aanleiding daarvan heeft besloten om:
  • ten aanzien van [eiser] een melding bij de KNVB te doen voor eenvoudige mishandeling,
  • ten aanzien van [eiseres] :
  • met ingang van 19 maart 2026 een lokaal stadionverbod op te leggen voor het gooien van een beker richting de supporter(s) van FC Utrecht, en
  • een melding bij de KNVB te doen voor het gooien van een voorwerp en/of eenvoudige mishandeling.
3.7.
Op 31 maart 2026 heeft de KNVB door middel van een deurwaardersexploot [3] aan [eiser] een landelijk stadionverbod van 18 maanden (van 3 april 2026 tot 3 oktober 2027) opgelegd. In dit exploot wordt als reden vermeld dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige mishandeling en dat dit landelijk stadionverbod is gebaseerd op artikel 10.2 van de KNVB Standaardvoorwaarden.
3.8.
Op 31 maart 2026 heeft de KNVB door middel van een (ander) deurwaardersexploot [4] aan [eiseres] een landelijk stadionverbod van 18 maanden (van 3 april 2026 tot 3 oktober 2027) opgelegd. In dit exploot wordt als reden vermeld dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige mishandeling en dat dit landelijk stadionverbod is gebaseerd op artikel 10.2 van de KNVB Standaardvoorwaarden.
3.9.
[eiser] en [eiseres] hebben allebei gebruik gemaakt van de door de KNVB geboden mogelijkheid om kosteloos bij de Commissie stadionverboden “beroep” aan te tekenen tegen het aan hen opgelegde landelijk stadionverbod. Deze commissie heeft nog geen beslissing genomen.
3.10.
Op zondag 19 april 2026 wordt de bekerfinale gespeeld tussen N.E.C. en AZ.
Op zaterdag 25 april 2026 mogen de kinderen van [eiser] en [eiseres] voorafgaand aan de uitwedstrijd tussen FC Twente en N.E.C. als mascotte hand in hand met de voetbalspelers van N.E.C. meelopen op het voetbalveld.
[eiser] en [eiseres] willen deze wedstrijden bijwonen, maar kunnen dat niet vanwege het aan hen opgelegde landelijk stadionverbod. Zij hebben daarom dit kort geding tegen de KNVB aanhangig gemaakt.

4.De beoordeling

Twee zaken en dus ook twee vonnissen
4.1.
Er is sprake van twee zaken en daarmee ook van twee vonnissen.
Overwegingen van toepassing in beide zaken
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Vereist is daarom dat sprake is van spoedeisend belang. [eiser] en [eiseres] hebben allebei een spoedeisend belang bij de door hen ingestelde vorderingen. Dat volgt uit de aard van de vorderingen in combinatie met de aankomende wedstrijden van N.E.C. zoals genoemd in 3.10.
Niet “te vroeg” met aanhangig maken kort geding
4.3.
De KNVB voert aan dat [eiser] en [eiseres] “
te vroeg” zijn met het voeren van dit kort geding, omdat nog geen beslissing is genomen in het door hen aangetekende “beroep” bij de Commissie stadionverboden. Dat standpunt gaat niet op. Artikel 11.1 van de toepasselijke KNVB Standaardvoorwaarden [5] voorziet in de mogelijkheid om bij de Commissie stadionverboden “beroep” aan te tekenen tegen een landelijk stadionverbod. In dat artikel is bepaald dat het beroep (bij de Commissie stadionverboden) geen schorsende werking heeft en de mogelijkheden om het geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen onverlet laat. Daaruit volgt dat het mogelijk is om een kort geding aanhangig te maken, ook als al beroep is aangetekend bij de Commissie stadionverboden.
Kernvraag
4.4.
De vraag die in beide zaken moet worden beantwoord is of het landelijk stadionverbod terecht is opgelegd en onverkort van kracht kan blijven.
Beoordelingskader
4.5.
Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het hierna te noemen beoordelingskader. De voorzieningenrechter sluit daarbij aan bij de uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 november 2025 (2x) [6] en 11 maart 2026 [7] .
4.6.
De rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht (zie ook: Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:615) en niet zoals in eerdere rechtspraak is geoordeeld aan het rechtspersonenrecht. [8]
4.6.1.
De koper van het toegangsbewijs (zoals een seizoenkaart) verklaart bij de koop daarvan dat hij zich gebonden acht aan de KNVB Standaardvoorwaarden en de op dat moment geldende Richtlijn termijn stadionverbod. Hierdoor komt een overeenkomst tot stand tussen de koper van het toegangsbewijs en de KNVB. De inhoud van die overeenkomst wordt bepaald door de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod.
4.6.2.
In de KNVB Standaardvoorwaarden worden regels gegeven die door de koper van een toegangsbewijs (hierna: de voetbalsupporter) moeten worden nageleefd. Ook wordt in deze voorwaarden bepaald welke maatregelen de KNVB mag opleggen als die regels niet worden nageleefd. Eén van die maatregelen is het opleggen van een landelijk stadionverbod [9] . In de Richtlijn termijn stadionverbod worden de gedragingen opgesomd waarvoor een landelijk stadionverbod kan worden opgelegd onder vermelding van de duur van het verbod.
4.6.3.
Uitgangspunt is dat de tussen de koper van het toegangsbewijs en de KNVB overeengekomen regels (in de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod) moeten worden toegepast. Afspraak is immers afspraak. Zowel de KNVB als de voetbalsupporter moeten zich aan de tussen hen afgesproken regels houden. De KNVB mag daarvan dus niet afwijken, tenzij dit in het voordeel is van de voetbalsupporter.
4.6.4.
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek) kan echter meebrengen dat de KNVB een bepaalde regel van de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn niet mag toepassen. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, die door de voetbalsupporter moeten worden aangevoerd.
De rechter mag niet al te snel besluiten dat sprake is van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechter moet daarin terughoudend zijn, omdat er wordt ingebroken op wat er tussen partijen is overeengekomen.
Toetsing: vol en niet marginaal4.7. Het hiervoor toegelichte beoordelingskader brengt mee dat de rechter “vol” moet toetsen of de KNVB op grond van de toepasselijke regels (de regels in de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod) en de voorliggende feiten een landelijk stadionverbod aan de voetbalsupporter mocht opleggen.
In het kader van een kort geding speelt dan nog een rol dat het daarbij gaat om de vraag of het aannemelijk is dat de KNVB het landelijk stadionverbod mocht opleggen.
4.8.
Het gaat er dus niet om of (het aannemelijk is dat) de KNVB
in redelijkheidtot het opleggen van het landelijk stadionverbod heeft kunnen overgaan. Van een dergelijke marginale toetsing zou alleen sprake kunnen zijn als de KNVB bij het opleggen van een landelijk stadionverbod beleidsvrijheid/beleidsruimte zou hebben. Dat is echter niet het geval. De KNVB moet zich immers houden aan de regels die zij is overeengekomen met de koper van het toegangsbewijs en de inhoud van die regels bieden geen beleidsvrijheid.
4.9.
In het voorgaande ligt besloten dat de stelling van de KNVB dat alleen de Commissie stadionverboden inhoudelijk mag/kan toetsen of het landelijk stadionverbod terecht is opgelegd onjuist is.
De in deze zaken toepasselijke Standaardvoorwaarden en Richtlijn
4.10.
[eiser] en [eiseres] hebben ieder een seizoenkaart bij N.E.C. voor het seizoen 2025/2026 en hebben zich door de koop van deze seizoenkaart gebonden verklaard aan (daarover is iedereen het eens):
 de KNVB Standaardvoorwaarden geldend vanaf 1 juli 2023 [10] (hierna: de Standaardvoorwaarden), en
 de Richtlijn termijn stadionverbod seizoen 2025/’26 [11] (hierna: de Richtlijn).
Er moet dus worden getoetst aan de regels in deze stukken.
Artikel 10.2 Standaardvoorwaarden: grondslag voor opleggen landelijk stadionverbod
4.11.
De KNVB ontleent haar bevoegdheid om een landelijk stadionverbod op te leggen aan artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden.
4.12.
In dit artikel is bepaald dat de KNVB de voetbalsupporter een landelijk stadionverbod, met inachtneming van de voor het betreffende seizoen vastgestelde Richtlijn termijn stadionverbod, kan opleggen als:
de voetbalsupporter in strijd heeft gehandeld met de Standaardvoorwaarden en/of een strafbaar feit heeft begaan, en/of
het vermoeden bestaat dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag, en/of
de voetbalsupporter zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad.
4.13.
De KNVB beroept zich voor wat betreft [eiser] en [eiseres] op de grond dat het vermoeden bestaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag.
[eiser] omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan “eenvoudige mishandeling” en
[eiseres] omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan “eenvoudige mishandeling”, althans het gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen”.
4.14.
In de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn zijn geen aanknopingspunten te vinden hoe het begrip “
vermoeden” moet worden uitgelegd. Daarom moet worden aangehaakt bij de taalkundige betekenis daarvan. De taalkundige betekenis van vermoeden is “
een waarschijnlijke waarheid”. Er moeten dus concrete aanwijzingen zijn dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag en in het bijzonder aan de in de Richtlijn opgesomde gedragingen.
4.15.
Ook zijn in de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn geen aanknopingspunten te vinden wat onder “
eenvoudige mishandeling” moet worden verstaan. Ook dat begrip moet dus worden uitgelegd. Het is aannemelijk dat de kopers van een toegangsbewijs zullen hebben begrepen dat dit begrip de betekenis heeft die daar volgens het strafrecht aan wordt toegekend, omdat “eenvoudige mishandeling” een strafrechtelijk begrip is. In het strafrecht betekent mishandeling: “het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat”. [12] Een enkele duw kan daarvoor voldoende zijn. Het begrip “eenvoudig” wordt gebruikt voor het maken van onderscheid met “zware” mishandeling.
Standpunt [eiser] en [eiseres]4.16. [eiser] en [eiseres] stellen zich op het standpunt dat het aan hen opgelegde landelijke stadionverbod moet worden opgeheven, omdat:
a) deze verboden uiterst onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, en/of
b) zij de verweten gedraging niet hebben begaan, althans
c) de opgelegde duur van het stadionverbod disproportioneel is.
Onzorgvuldige totstandkoming4.17. [eiser] en [eiseres] voeren aan dat het aan hen opgelegde landelijke stadionverbod uiterst onzorgvuldig tot is stand gekomen, omdat de door N.E.C. opgelegde lokale stadionverboden in strijd met de reglementen van N.E.C. zijn opgelegd en er (ook) door de KNVB geen hoor en wederhoor is toegepast waardoor zij zich niet hebben kunnen verweren/tegenbewijs hebben kunnen leveren.
4.18.
Dit standpunt gaat niet op.
Uitgangspunt is dat op grond van de toepasselijke regels (de Standaardvoorwaarden en de Richtlijnen) en de voorliggende feiten moet worden getoetst of het landelijk stadionverbod terecht is opgelegd of niet. Op grond van artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden is voor het opleggen van een landelijk stadionverbod alleen vereist dat een vermoeden bestaat dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag en in het bijzonder aan de in de Richtlijn opgesomde gedragingen. Het is aan de KNVB om dit vermoeden te onderbouwen. Als de rechter vindt dat de KNVB dat niet/onvoldoende heeft gedaan, dan moet het opgelegde stadionverbod worden opgeheven. Er hoeft dus door de KNVB geen hoor- en wederhoor plaats te vinden, en de voetbalsupporter hoeft niet in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan het opleggen van het verbod zich te verweren en tegenbewijs te leveren. De KNVB is verder niet verantwoordelijk voor wat N.E.C. mogelijk niet goed heeft gedaan bij het opleggen van een lokaal stadionverbod.
Het aan [eiser] opgelegde landelijke stadionverbod
4.19.
De overwegingen 4.20 tot en met 4.29 hebben alleen betrekking op de zaak tussen [eiser] en de KNVB.
Aannemelijk dat landelijk stadionverbod van 18 maanden mocht worden opgelegd4.20. Het is aannemelijk dat aan [eiser] een landelijk stadionverbod van 18 maanden mocht worden opgelegd.
4.21.
De KNVB heeft het landelijk stadionverbod opgelegd, omdat volgens haar het vermoeden bestaat dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag en in het bijzonder aan eenvoudige mishandeling (zoals bedoeld in de Richtlijn en nader toegelicht in 4.15.). [eiser] betwist dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt. [eiser] wordt hierin niet gevolgd.
4.22. De KNVB voert aan dat het hierboven genoemde vermoeden volgt uit de volgende “bewijsmiddelen” (in samenhang bekeken):
1. [eiser] heeft in een gesprek van 12 maart 2026 met de Manager Veiligheid van N.E.C. en de Supporter Liaison Officer erkend dat hij een supporter van
FC Utrecht heeft geduwd en diens pet van het hoofd heeft geslagen. De Manager Veiligheid heeft dat ook in een brief van 10 april 2026 [13] schriftelijk aan de KNVB verklaard.
2. [eiser] heeft in zijn e-mail van 13 maart 2026 deze erkenning herhaald. Hij heeft in deze brief onder andere geschreven:
“Allereerst wil ik benadrukken dat ik erken dat mijn reactie op dat moment niet juist is geweest, In een emotionele situatie heb ik een supporter van FC Utrecht een duw met een platte hand heb gegeven, waarbij diens pet van het hoofd is gevallen. Dat had niet mogen gebeuren en daar neem ik verantwoordelijkheid voor.”
3. [eiseres] heeft in een gesprek met de Manager Veiligheid van 12 maart 2026 erkend dat [eiser] fout heeft gehandeld en de FC Utrecht supporter een “klap/duw” heeft gegeven.
4. De betreffende supporter van FC Utrecht heeft in een aan N.E.C. gerichte brief van 18 maart 2026 [14] geschreven: Uit het niets kreeg ik van achteren een klap op mijn hoofd en een forse duw in mijn rug, Ik klapte met mijn hoofd naar voren. Mijn pet en bril die door de klap op de grond waren gevallen heb ik kunnen terugvinden, doch de bril moest bij de lokale opticienwinkel worden rechtgezet. Ik voelde pijn aan mijn voorhoofd en had op mijn scheenbeen een lelijke wond waarschijnlijk doordat ik door de duw voorover viel tegen de stoelleuning voor mij. (…)
Thuisgekomen die nacht bleek dat mijn hoofd bebloed was en ik een fikse snijwond had opgelopen. Daar heb ik die nacht nog een foto van gemaakt die ik heb gedeeld in de vriendengroepsapp. (zie foto met tijdvermelding). Degene die het heeft gedaan, is voorafgaand aan het incident bij toeval gefotografeerd door een van mijn makkers. (…) “
4.23.
De aan [eiser] verweten gedraging is dus dat hij een FC Utrecht supporter van achteren een duw heeft gegeven waarbij de pet van deze supporter is afgevallen.
Het is gelet op deze door de KNVB aangevoerde “bewijsmiddelen” aannemelijk dat een vermoeden bestaat dat [eiser] zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De “bewijs-middelen” van de KNVB (zoals genoemd in 4.22. onder 1 tot en met 4) wijzen daarop.
[eiser] heeft dat twee keer erkend: de eerste keer in het gesprek van 12 maart 2026 en de tweede keer in zijn e-mail van 13 maart 2026. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen aanknopingspunten zijn om aan de juistheid van de verklaring van de Manager Veiligheid van N.E.C. te twijfelen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst aangevoerd dat hij de FC Utrecht supporter geen duw of klap zou hebben gegeven, maar dat hij alleen van achteren een lichte tik tegen het petje van deze supporter heeft gegeven, waardoor het petje van het hoofd van de supporter viel. Dat komt echter, mede gelet op zijn eerdere erkenningen, niet aannemelijk voor. Op de door de KNVB overgelegde foto van de betreffende supporter [15] valt te zien dat het om een stevige pet (type cap) gaat die strak op het achterhoofd van de supporter zit. Het is daarom onwaarschijnlijk dat [eiser] die pet van het hoofd van de supporter heeft kunnen tikken zonder daarbij enige kracht te zetten tegen het hoofd van die supporter.
Het is gezien het voorgaande daarom aannemelijk dat het vermoeden bestaat dat [eiser] de FC Utrecht supporter van achteren heeft benaderd en met zijn hand op het hoofd van die supporter de pet van die supporter heeft afgetikt. Dat [eiseres] in haar schriftelijke verklaring van 13 april 2026 [16] betwist dat zij heeft gezegd dat [eiser] de supporter een klap of duw zou hebben gegeven, doet aan dit vermoeden niet af. [eiseres] verklaart in die verklaring dat [eiser] zijn vlakke hand tegen de achterkant van het hoofd van deze supporter had en het petje van deze supporter van zijn hoofd wipte/tikte. Dat is in lijn met het hiervoor aannemelijk geachte vermoeden. Ook de door [eiser] overgelegde getuigenverklaringen nemen het vermoeden niet weg. Daaruit volgt immers niet dat [eiser] de bewuste handeling niet heeft verricht.
De stelling van [eiser] dat de supporter die de brief heeft geschreven (zie 4.22 onder 4) en daarbij een foto heeft toegevoegd, niet dezelfde persoon is als degene van wie hij de pet heeft afgetikt, kan evenmin leiden tot een andere conclusie. De gedraging van [eiser] blijft immers dezelfde.
4.24.
Het in 4.23. genoemde vermoeden kwalificeert als een “eenvoudige mishandeling” als bedoeld in de Richtlijn. Daarvoor is, anders dan [eiser] meent, niet vereist dat de
FC Utrecht supporter door zijn gedraging letsel heeft opgelopen (zie 4.15.).
In de Richtlijn is vermeld dat daarvoor een landelijk stadionverbod kan worden opgelegd van 18 maanden. De KNVB mocht [eiser] dus op grond van artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden een landelijk stadionverbod opleggen van 18 maanden.
Verbod is niet disproportioneel
4.25.
[eiser] voert nog aan dat het landelijk stadionverbod van 18 maanden wat duur betreft disproportioneel/naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het was volgens [eiser] slechts een “kinderachtige” actie, welke actie was ingegeven door het provocerende gedrag van de betrokken FC Utrecht supporter. Bovendien heeft die FC Utrecht supporter hem na afloop van wedstrijd nog de hand geschud.
4.26.
Dit zijn geen omstandigheden die maken dat het opgelegde stadionverbod wat betreft duur disproportioneel is.
4.26.1.
Het is aan de KNVB om te bepalen welke duur zij aan een bepaalde gedraging wil verbinden. Het gaat hier immers om contractsvrijheid/beleidsvrijheid van de KNVB. [eiser] is door het kopen van een seizoenkaart akkoord gegaan met de in de Richtlijn genoemde duur van het landelijk stadionverbod voor de gedraging die hier aan de orde is.
4.26.2.
De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om een inbreuk op de overeengekomen duur van het stadionverbod te rechtvaardigen. Het is begrijpelijk dat de KNVB dergelijke gedragingen uit de voetbalstadions wil verbannen door het opleggen van een stadionverbod van 18 maanden. Het maakt ook niet uit of de actie van [eiser] is ingegeven door provocatie. Dat maakt de gedraging van [eiser] niet minder erg en rechtvaardigt daarom niet dat wordt afgeweken van de overeengekomen duur van het landelijk stadionverbod. Dat [eiser] de FC Utrecht supporter de hand heeft geschud is heel goed, maar ook dat is gelet op het doel van de KNVB om “eenvoudige mishandeling” uit de voetbalstadions te weren evenmin reden om af te wijken van de overeengekomen duur van het landelijk stadionverbod.
Conclusie
4.27.
De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het aan [eiser] opgelegde landelijk stadionverbod moet worden teruggedraaid, althans niet onverkort van kracht zal mogen zijn. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dit neemt niet weg dat in een eventuele bodemprocedure nader bewijs kan worden geleverd, op grond waarvan de bodemrechter tot een ander oordeel kan komen.
Proceskosten
4.28.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KNVB worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.29.
Deze proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het aan [eiseres] opgelegde stadionverbod
4.30.
De overwegingen 4.31. tot en met 4.37. hebben alleen betrekking op de zaak tussen [eiser] en de KNVB.
Aannemelijk dat landelijk stadionverbod van 18 maanden mocht worden opgelegd4.31. Het is aannemelijk dat aan [eiseres] een landelijk stadionverbod van 18 maanden mocht worden opgelegd.
4.32.
De KNVB voert aan dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan het gooien van beker naar de FC Utrecht supporter (van wie [eiser] de pet van zijn hoofd heeft getikt) waardoor mogelijk letsel bij die supporter is ontstaan. [eiseres] heeft dit volgens de KNVB in het gesprek van 12 maart 2026 met de Veiligheidsmanager van N.E.C. erkend. Ook heeft de KNVB een foto in het geding gebracht van een gezicht van een man met daarop op het voorhoofd een snijwond [17] . Volgens de KNVB is dit de FC Utrecht supporter die de brief heeft geschreven en naar wie [eiseres] een beker zou hebben gegooid.
[eiseres] erkent dat zij in het gesprek van 12 maart 2026 heeft gezegd dat zij een beker heeft gegooid, maar betwist dat zij toen ook heeft gezegd dat daaruit (mogelijk) letsel is ontstaan. Ook betwist zij nu dat zij een beker heeft gegooid. Dat heeft zij toen alleen maar gezegd vanwege het stadionverbod tegen [eiser] . In werkelijkheid heeft zij de beker alleen laten vallen. Ook betwist [eiseres] dat de foto van de man met de snijwond de FC Utrecht supporter is waarnaar zij een beker heeft gegooid. Als je deze foto vergelijkt met de foto van de FC Utrecht supporter met de pet, die schuin voor hun zit op de tribune, dan gaat het volgens [eiseres] om twee verschillende personen.
4.33.
Op grond van het voorgaande bestaat in ieder geval het vermoeden dat [eiseres] een beker heeft gegooid naar een FC Utrecht supporter. Dat heeft zij in eerste instantie erkend. Dat zij daar nu anders over verklaart, maakt niet dat dat vermoeden komt te vervallen. Of daardoor mogelijk letsel is ontstaan, kan in het midden blijven. Reden daarvoor is dat, zoals de KNVB aanvoert, in ieder geval sprake is van “gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen”. Ook dat is een gedraging die voorkomt in de Richtlijn en kwalificeert als voetbal gerelateerd wangedrag en waarvoor een landelijk stadionverbod van 18 maanden kan worden opgelegd. In de Richtlijn is vermeld dat voor “gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen” een landelijk stadionverbod kan worden opgelegd van 12 tot en met 36 maanden. Het aan [eiseres] opgelegde stadionverbod valt binnen deze bandbreedte. De conclusie is dat de KNVB op grond van artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden een landelijk stadionverbod aan [eiseres] mocht opleggen van 18 maanden.
Verbod is niet disproportioneel
4.34.
[eiseres] voert nog aan dat het landelijk stadionverbod van 18 maanden wat duur betreft disproportioneel/naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Zij wordt daarin niet gevolgd. Het is aan de KNVB om te bepalen welke duur zij aan een bepaalde gedraging wil verbinden. Het gaat hier immers om contractsvrijheid/ beleidsvrijheid van de KNVB en [eiseres] is door het kopen van een toegangsbewijs akkoord gegaan met de in de Richtlijn genoemde duur van het landelijk stadionverbod voor de gedraging die hier aan de orde is. [eiseres] heeft geen omstandigheden aangevoerd die een inbreuk op de overeengekomen duur van het stadionverbod rechtvaardigen.
Daarvoor is onvoldoende dat [eiseres] , zoals zij aanvoert, van onbesproken gedrag is en door het stadionverbod geruime tijd geen voetbalwedstrijden van N.E.C. kan bijwonen en ook niet de speciale wedstrijd waarbij haar kinderen mogen meelopen met de spelers.
De KNVB heeft een zwaarwegend belang om voetbal gerelateerd wangedrag, waaronder het gooien van voorwerpen zoals een beker, uit de voetbalstadions te weren, en dat belang weegt zwaarder dan deze (persoonlijke) omstandigheden.
Conclusie
4.35.
De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het aan [eiseres] opgelegde landelijk stadionverbod moet worden teruggedraaid, althans niet onverkort van kracht zal mogen zijn. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen. Dit neemt niet weg dat in een eventuele bodemprocedure nader bewijs kan worden geleverd, op grond waarvan de bodemrechter tot een ander oordeel kan komen.
Proceskosten
4.36.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KNVB worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.37.
Deze proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

in de zaak tussen [eiser] en de KNVB
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [eiser] om aan de KNVB te betalen de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak tussen [eiseres] en de KNVB
5.4.
wijst de vordering af,
5.5.
veroordeelt [eiseres] om aan de KNVB te betalen de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
4374

Voetnoten

1.Productie 5 van [eiser] en [eiseres]
2.Productie 6 van [eiser] en [eiseres]
3.Productie 10 van [eiser] en [eiseres]
4.Productie 11 van [eiser] en [eiseres]
5.Dit artikel luidt als volgt:
8.Net zoals in de 4.6. genoemde uitspraken wordt dus afstand genomen van de lijn in de rechtspraak dat de rechtsgeldigheid van het landelijk stadionverbod moet worden getoetst aan het rechtspersonenrecht en in het bijzonder aan artikel 2:15 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
9.Een andere maatregel is bijvoorbeeld het opleggen van een geldboete.
10.Productie 2 van [eiser] en [eiseres]
11.Productie 3 van [eiser] en [eiseres]
12.Zie uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690
13.Productie 7 van de KNVB
14.Productie 11 van de KNVB
15.Productie 12 van de KNVB
16.Productie 15 van [eiser] en [eiseres]
17.Productie 7 van de KNVB