Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn
gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] en [eiseres] ,
- de pleitnota van KNVB.
29 april 2026.
2.De vorderingen
- een zaak tussen [eiser] en de KNVB, en
- een zaak tussen [eiseres] en de KNVB.
- primair dat de KNVB wordt geboden om het aan hen opgelegde stadionverbod op te heffen, althans dat de KNVB wordt verboden om het aan hen opgelegde stadionverbod nog langer te handhaven,
- subsidiair dat het aan hen opgelegde stadionverbod met onmiddellijke ingang wordt opgeschort, althans wordt geschorst totdat daarop is beslist door de bodemrechter,
- meer subsidiair dat het aan hen opgelegde stadionverbod wordt gematigd of wordt omgezet naar een lokaal stadionverbod en/of alternatieve straf en/of geldboete al dan niet totdat daarop is beslist door een bodemrechter.
3.De achtergrond van de zaken
- ten aanzien van [eiser] een melding bij de KNVB te doen voor eenvoudige mishandeling,
- ten aanzien van [eiseres] :
- met ingang van 19 maart 2026 een lokaal stadionverbod op te leggen voor het gooien van een beker richting de supporter(s) van FC Utrecht, en
- een melding bij de KNVB te doen voor het gooien van een voorwerp en/of eenvoudige mishandeling.
4.De beoordeling
te vroeg” zijn met het voeren van dit kort geding, omdat nog geen beslissing is genomen in het door hen aangetekende “beroep” bij de Commissie stadionverboden. Dat standpunt gaat niet op. Artikel 11.1 van de toepasselijke KNVB Standaardvoorwaarden [5] voorziet in de mogelijkheid om bij de Commissie stadionverboden “beroep” aan te tekenen tegen een landelijk stadionverbod. In dat artikel is bepaald dat het beroep (bij de Commissie stadionverboden) geen schorsende werking heeft en de mogelijkheden om het geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen onverlet laat. Daaruit volgt dat het mogelijk is om een kort geding aanhangig te maken, ook als al beroep is aangetekend bij de Commissie stadionverboden.
In het kader van een kort geding speelt dan nog een rol dat het daarbij gaat om de vraag of het aannemelijk is dat de KNVB het landelijk stadionverbod mocht opleggen.
in redelijkheidtot het opleggen van het landelijk stadionverbod heeft kunnen overgaan. Van een dergelijke marginale toetsing zou alleen sprake kunnen zijn als de KNVB bij het opleggen van een landelijk stadionverbod beleidsvrijheid/beleidsruimte zou hebben. Dat is echter niet het geval. De KNVB moet zich immers houden aan de regels die zij is overeengekomen met de koper van het toegangsbewijs en de inhoud van die regels bieden geen beleidsvrijheid.
[eiser] omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan “eenvoudige mishandeling” en
[eiseres] omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan “eenvoudige mishandeling”, althans het gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen”.
vermoeden” moet worden uitgelegd. Daarom moet worden aangehaakt bij de taalkundige betekenis daarvan. De taalkundige betekenis van vermoeden is “
een waarschijnlijke waarheid”. Er moeten dus concrete aanwijzingen zijn dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag en in het bijzonder aan de in de Richtlijn opgesomde gedragingen.
eenvoudige mishandeling” moet worden verstaan. Ook dat begrip moet dus worden uitgelegd. Het is aannemelijk dat de kopers van een toegangsbewijs zullen hebben begrepen dat dit begrip de betekenis heeft die daar volgens het strafrecht aan wordt toegekend, omdat “eenvoudige mishandeling” een strafrechtelijk begrip is. In het strafrecht betekent mishandeling: “het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat”. [12] Een enkele duw kan daarvoor voldoende zijn. Het begrip “eenvoudig” wordt gebruikt voor het maken van onderscheid met “zware” mishandeling.
FC Utrecht heeft geduwd en diens pet van het hoofd heeft geslagen. De Manager Veiligheid heeft dat ook in een brief van 10 april 2026 [13] schriftelijk aan de KNVB verklaard.
“Allereerst wil ik benadrukken dat ik erken dat mijn reactie op dat moment niet juist is geweest, In een emotionele situatie heb ik een supporter van FC Utrecht een duw met een platte hand heb gegeven, waarbij diens pet van het hoofd is gevallen. Dat had niet mogen gebeuren en daar neem ik verantwoordelijkheid voor.”
Het is gezien het voorgaande daarom aannemelijk dat het vermoeden bestaat dat [eiser] de FC Utrecht supporter van achteren heeft benaderd en met zijn hand op het hoofd van die supporter de pet van die supporter heeft afgetikt. Dat [eiseres] in haar schriftelijke verklaring van 13 april 2026 [16] betwist dat zij heeft gezegd dat [eiser] de supporter een klap of duw zou hebben gegeven, doet aan dit vermoeden niet af. [eiseres] verklaart in die verklaring dat [eiser] zijn vlakke hand tegen de achterkant van het hoofd van deze supporter had en het petje van deze supporter van zijn hoofd wipte/tikte. Dat is in lijn met het hiervoor aannemelijk geachte vermoeden. Ook de door [eiser] overgelegde getuigenverklaringen nemen het vermoeden niet weg. Daaruit volgt immers niet dat [eiser] de bewuste handeling niet heeft verricht.
FC Utrecht supporter door zijn gedraging letsel heeft opgelopen (zie 4.15.).