RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder
(gemachtigden: A. Hoogendoorn en A. Hoekerd).
Inleiding
1. Eisers hebben een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht van vijf procedures (drie keer voor een bedrag van € 53,- en twee keer voor een bedrag van € 143,-, dus in totaal voor een bedrag van € 445,-). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 31 januari 2025 (besluit 1).
2. Daarna hebben eisers voor een andere procedure bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht gevraagd van € 51,-. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 11 april 2025 (besluit 2).
3. Vervolgens hebben eisers voor nog een andere procedure bijzondere bijstand voor griffierecht gevraagd van € 51,-, alsmede voor de eigen bijdrage voor advocaatkosten van € 176,-. Verweerder heeft met het besluit van 11 april 2025 (besluit 3) de aanvraag afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van griffierecht en toegekend wat betreft de eigen bijdrage voor advocaatkosten.
4. Eisers hebben tegen de besluiten 1, 2 en 3 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met het besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit):
- het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gaat over de eigen bijdrage voor advocaatkosten en ongegrond verklaard voor zover het gaat over de kosten van griffierecht.
5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Bestreden besluit
7. Verweerder heeft het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en heeft dit als volgt toegelicht. Eén nota van € 143,- voor griffierecht, die verband hield met een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad) met zaaknummer 25/75, is komen te vervallen. Die kosten doen zich dus niet voor en daarom kan in zoverre geen bijzondere bijstand worden toegekend. De vier andere nota’s inzake griffierecht gaan over procedures waarbij de beroepschriften zijn ingediend op 9 januari 2025, terwijl de aanvraag om bijzondere bijstand pas op 18 januari 2025 is gedaan. Dit betekent dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt. De kosten van griffierecht worden volgens vaste rechtspraak namelijk gemaakt op het moment dat het beroepschrift is ingediend.Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die al zijn gemaakt vóór de aanvraag.
8. Ook het bezwaar tegen besluit 2 heeft verweerder ongegrond verklaard. De aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht van € 51,- is gedaan op 1 april 2025, terwijl het beroepschrift in deze procedure op 31 december 2024 is ingediend. Ook hiervoor geldt dus dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt.
9. Het bezwaar tegen besluit 3 heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gaat over de eigen bijdrage voor advocaatkosten, omdat voor die kosten conform verzoek bijzondere bijstand is toegekend. Verweerder heeft het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard voor zover het gaat over de kosten van griffierecht. De nota griffierecht ontbreekt, maar aannemelijk is dat deze € 53,- bedraagt. Verweerder heeft in het eigen beleid opgenomen dat de kosten voor griffierecht niet voor vergoeding in aanmerking komen tot aan het bedrag voor griffierechten voor onvermogenden op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.Ten tijde van belang was dit bedrag € 90,-.