Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1730

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/6059
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ParticipatiewetArt. 35 ParticipatiewetArtikel 9, zesde lid, Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing bijzondere bijstand griffierecht wegens te late aanvraag en drempelbedrag

Eisers hebben meerdere aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor griffierechtkosten van diverse procedures, waarvan enkele werden afgewezen wegens te late indiening na het maken van de kosten. Verweerder hanteerde een drempelbedrag van €90,- voor vergoeding, waardoor kosten onder dit bedrag niet werden vergoed.

De rechtbank oordeelt dat de aanvragen inderdaad te laat zijn ingediend, omdat de kosten van griffierecht volgens vaste rechtspraak op het moment van indiening van het beroepschrift ontstaan en geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die dit rechtvaardigen. Het lage inkomen van eisers vormt geen bijzondere omstandigheid.

Echter, het door verweerder gehanteerde drempelbedrag is onrechtmatig omdat het zonder tijdsbegrenzing en zonder rekening te houden met cumulatie van kosten wordt toegepast, in strijd met de Participatiewet. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het de afwijzing van bijzondere bijstand voor griffierecht betreft bij aanvraag 3.

Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en het griffierecht van €53,- aan eisers te vergoeden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.868,- aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en het griffierecht van €53,- te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6059

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en

het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder

(gemachtigden: A. Hoogendoorn en A. Hoekerd).

Inleiding

1. Eisers hebben een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht van vijf procedures (drie keer voor een bedrag van € 53,- en twee keer voor een bedrag van € 143,-, dus in totaal voor een bedrag van € 445,-). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 31 januari 2025 (besluit 1).
2. Daarna hebben eisers voor een andere procedure bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht gevraagd van € 51,-. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 11 april 2025 (besluit 2).
3. Vervolgens hebben eisers voor nog een andere procedure bijzondere bijstand voor griffierecht gevraagd van € 51,-, alsmede voor de eigen bijdrage voor advocaatkosten van € 176,-. Verweerder heeft met het besluit van 11 april 2025 (besluit 3) de aanvraag afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van griffierecht en toegekend wat betreft de eigen bijdrage voor advocaatkosten.
4. Eisers hebben tegen de besluiten 1, 2 en 3 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met het besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit):
- het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gaat over de eigen bijdrage voor advocaatkosten en ongegrond verklaard voor zover het gaat over de kosten van griffierecht.
5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Bestreden besluit

7. Verweerder heeft het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en heeft dit als volgt toegelicht. Eén nota van € 143,- voor griffierecht, die verband hield met een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad) met zaaknummer 25/75, is komen te vervallen. Die kosten doen zich dus niet voor en daarom kan in zoverre geen bijzondere bijstand worden toegekend. De vier andere nota’s inzake griffierecht gaan over procedures waarbij de beroepschriften zijn ingediend op 9 januari 2025, terwijl de aanvraag om bijzondere bijstand pas op 18 januari 2025 is gedaan. Dit betekent dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt. De kosten van griffierecht worden volgens vaste rechtspraak namelijk gemaakt op het moment dat het beroepschrift is ingediend. [1] Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die al zijn gemaakt vóór de aanvraag.
8. Ook het bezwaar tegen besluit 2 heeft verweerder ongegrond verklaard. De aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht van € 51,- is gedaan op 1 april 2025, terwijl het beroepschrift in deze procedure op 31 december 2024 is ingediend. Ook hiervoor geldt dus dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt.
9. Het bezwaar tegen besluit 3 heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gaat over de eigen bijdrage voor advocaatkosten, omdat voor die kosten conform verzoek bijzondere bijstand is toegekend. Verweerder heeft het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard voor zover het gaat over de kosten van griffierecht. De nota griffierecht ontbreekt, maar aannemelijk is dat deze € 53,- bedraagt. Verweerder heeft in het eigen beleid opgenomen dat de kosten voor griffierecht niet voor vergoeding in aanmerking komen tot aan het bedrag voor griffierechten voor onvermogenden op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. [2] Ten tijde van belang was dit bedrag € 90,-.

Beoordeling van de gronden

Omvang van de beoordeling in beroep
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers geen beroepsgronden hebben ingediend tegen het gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen besluit 3 (zie onder 9). Ook hebben eisers geen beroepsgronden ingediend tegen het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat de kosten zich wat betreft één nota griffierecht niet voordoen omdat die nota is ingetrokken, zodat in zoverre geen bijzondere bijstand wordt toegekend (zie onder 7). Deze punten vallen daarom buiten de beoordeling in deze beroepsprocedure.
Te laat ingediende aanvragen
11. Eisers zijn het er niet mee eens dat verweerder voor een deel van de nota’s voor griffierecht geen bijzondere bijstand heeft toegekend omdat de aanvragen te laat zouden zijn ingediend. Het is een belemmering om een aanvraag voor bijzondere bijstand in te dienen zonder nota van het griffierecht. De kosten zijn dan nog niet gemaakt en het staat nog niet vast wat de hoogte van de kosten is. Het griffierecht is verschuldigd als de hoogte wordt vastgesteld en het in rekening wordt gebracht. Los daarvan is het zo dat de aanvragen van eisers vrijwel direct na ontvangst van de nota’s en het instellen van (hoger) beroep zijn ingediend.
12. Niet in geschil is dat de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht waar met de besluiten 1 en 2 op is beslist, zijn gedaan nadat in de betreffende procedures (hoger) beroep was ingesteld.
13. Uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) volgt dat in beginsel geen (bijzondere) bijstand wordt toegekend als de kosten waar het om gaat zijn opgekomen vóór de aanvraag. Dit kan anders zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak komen de kosten van griffierecht op, op de datum waarop een betrokkene het beroepschrift indient bij de bestuursrechter. [3] Met de indiening van het beroepschrift staat immers in beginsel de verschuldigdheid van het griffierecht vast en de griffier is belast met de heffing daarvan. Dat de indiener van een beroepschrift vooraf niet altijd weet dat aan de indiening van een beroepschrift voor hem kosten (van griffierecht) zijn verbonden, doet hier niet aan af. Het (nog) niet beschikken over een nota hoeft geen belemmering te zijn om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Zo nodig kan de aanvraag worden aangevuld door de nota op een later moment over te leggen. [4]
14. Eisers hebben de aanvragen te laat ingediend en zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het lage inkomen van eisers is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. [5] Het enkele gegeven dat eisers veel procederen en voor meerdere procedures te laat een aanvraag hebben ingediend, is evenmin een bijzondere omstandigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Drempelbedrag
15. Eisers zijn het er niet mee eens dat verweerder een drempelbedrag hanteert bij het toekennen van bijzondere bijstand voor griffierecht. Niet de hoogte van het griffierecht zou bepalend moeten zijn, maar de vraag of sprake is van onvermogen om het zelf te betalen. Eisers zijn zoveel geld kwijt aan procedures die zij noodgedwongen moeten voeren, dat het niet redelijk is een bedrag van € 53,- voor eigen rekening te laten komen.
16. Artikel 9, zesde lid, van de Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI (Beleidsregel) luidt: “
Griffiekosten worden niet vergoed tot aan het bedrag voor griffierechten voor onvermogenden, conform de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Als de griffiekosten hoger zijn dan dit bedrag, dan kunnen de meerkosten wel vergoed worden.
17. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat bij toepassing van het beleid per aanvraag het drempelbedrag wordt tegengeworpen, onafhankelijk van het aantal aanvragen en de periode waarin deze worden gedaan. Omdat het griffierecht van € 53,- beneden de drempelwaarde van € 90,- ligt, komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
18. Het drempelbedrag dat verweerder op grond van artikel 9, zesde lid, van de Beleidsregel hanteert, is in strijd met artikel 35, tweede lid, van de Pw en artikel 35, eerste lid, laatste volzin van de Pw. Hierbij is van belang dat verweerder in dit geval een drempelbedrag hanteert zonder een begrenzing naar tijd en zonder rekening te houden met eventuele cumulatie van kosten. Verweerder mocht de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook niet onder verwijzing naar dit beleid afwijzen. Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Overige gronden
19. Eisers voeren verder aan dat zij de handelwijze en besluitvorming van verweerder in het algemeen onredelijk vinden. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van eisers, er heeft ten onrechte geen afstemming plaatsgevonden en er is ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. Ook stellen eisers dat sprake is van strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
20. Deze beroepsgronden kunnen niet slagen, omdat eisers zich beperken tot het noemen van kwalificaties en rechtsbeginselen maar onvoldoende hebben toegelicht waarom verweerder exact in strijd hiermee heeft gehandeld.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond.
22. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het betreft het ongegrond verklaarde bezwaar tegen het primaire besluit 3, waarmee bijzondere bijstand voor griffierecht is afgewezen. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
23. De rechtbank kan in dit geval niet zelf voorzien, want er is geen overzicht van het aantal zaken van eiser met betrekking tot bijzondere bijstand voor griffierecht en bijzondere bijstand in het algemeen.
24. De rechtbank draagt verweerder op binnen 6 weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met betrekking tot het primaire besluit 3 en hierbij deze uitspraak in acht te nemen.
25. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eisers vergoeden.
26. Ook wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 september 2025, voor zover daarbij is beslist dat eisers niet in aanmerking komen voor het toekennen van bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht van aanvraag 3;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verweerder verwijst naar verschillende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waaronder de uitspraak van 21 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:986, r.o. 4.4.
2.Artikel 9, zesde lid, Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI.
3.Zie bijv. de uitspraak van de Raad van 14 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3228, r.o. 4.3, en de uitspraak van de Raad van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047 r.o. 7.4.1 en 7.4.2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de uitspraak van de Raad van 14 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3228 r.o. 4.5.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:667 r.o. 4.5.1.