ECLI:NL:RBMNE:2026:204

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2322
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de afwijzing van een aanvraag voor een meerjarige productiesubsidie door het Fonds Podiumkunsten

Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen Stichting Pynarello en de raad van bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. De rechtbank oordeelde dat het beroep van Pynarello gegrond is, omdat het advies van de adviescommissie niet op alle punten zorgvuldig en inzichtelijk was. Pynarello had een aanvraag ingediend voor een meerjarige productiesubsidie van € 485.000,-, maar deze was afgewezen op basis van een advies dat niet voldoende onderbouwd was. De rechtbank stelde vast dat het Fonds onvoldoende had gecommuniceerd over de beoordeling van de geografische spreiding, waarbij Amsterdam niet was meegeteld, wat niet vooraf was aangekondigd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het Fonds op om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het Fonds ook het griffierecht en proceskosten aan Pynarello moest vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2322

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting Pynarello, uit Utrecht, Pynarello

(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),
en
de raad van bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, verweerder (gemachtigden: J. Oortmerssen en M. de Ridder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van Pynarello om een productiesubsidie op grond van de Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 (de regeling). Pynarello is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Pynarello gegrond is. Het advies van de adviescommissie dat het Fonds aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, is niet op alle punten zorgvuldig, inzichtelijk en/of begrijpelijk. Dat doet zich voor bij aspecten die zijn beoordeeld bij de criteria publieksfunctie en betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Daarnaast heeft het Fonds onvoldoende kenbaar gemaakt hoe het criterium geografische spreiding zou worden beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Pynarello heeft een aanvraag ingediend voor een meerjarige productiesubsidie in categorie II. Het gaat om een subsidie van € 485.000,-.
2.1.
Het Fonds heeft de aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen. Het Fonds heeft hieraan het advies van de adviescommissie ten grondslag gelegd. De adviescommissie heeft positief geadviseerd over de aanvraag van Pynarello, maar het subsidiebudget is ontoereikend om de subsidie toe te kennen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van Pynarello is het Fonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Wel heeft het Fonds onder verwijzing naar de nadere motivering van de adviescommissie de motivering op het criterium “betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk” aangevuld.
2.3.
Pynarello heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Fonds heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Hierna heeft Pynarello aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Pyrnarello, [A] en [B] (vertegenwoordigers van Pynarello) en de gemachtigden van het Fonds.

Beoordeling door de rechtbank

De regeling
3. De regeling biedt professionele gezelschappen, makers(collectieven) en ensembles de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een productiesubsidie. Die productiesubsidie wordt voor vier jaar verstrekt (periode 2025-2028).
3.1.
Aanvragen worden voorgelegd aan een adviescommissie die bestaat uit een gezelschap van deskundigen op het gebied van podiumkunsten. De adviescommissie beoordeelt de aanvraag aan de hand van de criteria van de regeling. Het gaat daarbij om de volgende vier criteria: artistieke kwaliteit, publieksfunctie, betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en geografische spreiding. Per criterium kan een aanvrager punten toebedeeld krijgen. Die punten maken samen de waardering van de adviescommissie. In een toelichting op de regeling zijn de criteria en de bijbehorende waarderingen nader uitgewerkt.
3.2.
Vervolgens worden de aanvragen op basis van de toegekende waardering op alle criteria in categorieën onderverdeeld: ‘honoreren’, ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ en ‘niet honoreren’. Om voor ‘honoreren (voor zover het budget dat toelaat)’ in aanmerking te komen, moet de waardering tenminste zes punten bevatten. Het Fonds honoreert eerst de aanvragen met het advies ‘honoreren’ en daarna de aanvragen met het advies ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ in volgorde van rangorde. Het Fonds verdeelt het beschikbare budget volgens deze rangorde waarbij aanvragen worden toegewezen of gedeeltelijk toegewezen totdat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. De overige aanvragen worden afgewezen.
3.3.
Pynarello heeft bij de beoordeling zes punten toegekend gekregen: drie punten voor artistieke kwaliteit (ruim voldoende), twee punten voor publieksfunctie (ruim voldoende), nul punten voor betekenis voor Nederlandse podiumkunstpraktijk (neutraal) en een punt voor geografische spreiding (voldoende). Daarmee kreeg de aanvraag het advies ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ mee. Vanwege budgettaire redenen is de aanvraag niet gehonoreerd.
Het toetsingskader
4. Indien een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, geldt als algemeen uitgangspunt dat het bestuursorgaan dan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In het geval een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Dit algemene uitgangspunt geldt ook voor het Fonds bij een kunstsubsidie zoals hier aan de orde. [1] Het gaat er bij kunstsubsidies zoals hier om dat de aanvrager in voldoende mate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt. De aard van artistieke kwaliteitsoordelen brengt met zich mee dat de bestuursrechter de adviezen van de adviescommissie slechts terughoudend kan toetsen. Bij besluiten over productiesubsidies komt het Fonds immers beslissingsruimte toe.
4.1.
In geschil is de beoordeling van de criteria betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk, publieksfunctie en geografische spreiding en hoe de adviescommissie deze criteria heeft gewaardeerd. Alvorens de hiervoor genoemde criteria te bespreken, zal de rechtbank een oordeel geven over het standpunt van Pynarello dat sprake is van vooringenomenheid.
Vooringenomenheid
5. Pynarello stelt dat de onafhankelijkheid van één van de leden van de adviescommissie niet is gewaarborgd bij de beoordeling van haar aanvraag. Er doet zich een schijn van belangenverstrengeling voor bij adviseur [C] ( [C] ). Zij was tot zes maanden voor de start van de aanvraagperiode verbonden aan Nicole Beutler Projects (NBP). NBP heeft ook een aanvraag in categorie II gedaan. Pynarello verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin is geoordeeld dat de onafhankelijkheid van [C] niet was gewaarborgd. Dat kwam kortgezegd doordat de samenwerking van [C] met NBP te kort geleden was, dertien jaar duurde en te intensief was, waardoor de binding dusdanig was dat niet van onafhankelijkheid kon worden gesproken. [2]
5.1.
Het Fonds stelt zich op het standpunt dat geen schijn van belangenverstrengeling kan worden aangenomen. Het klopt dat [C] als één van de adviseurs betrokken is geweest bij de totstandkoming van het advies en dat zij in het verleden een samenwerking heeft gehad met NBP, maar dit is onvoldoende om te stellen dat schijn van belangenverstrengeling is gewekt. De samenwerking nam in de laatste periode af en was zes maanden voor aanvang van de subsidieronde geëindigd. Bovendien was [C] deskundig op het gebied van dans en niet van muziek. Het Fonds stelt alles in het werk om de onafhankelijkheid van de adviescommissie te waarborgen. Uit een pool van 200 adviseurs wordt een adviescommissie samengesteld. Deze adviseurs worden op hun expertise en onafhankelijkheid geselecteerd. Het Fonds hanteert hiervoor een protocol. Het gaat om veel aanvragen en als met alle voormalige samenwerkingsverbanden rekening moet worden gehouden dan gaat het niet meer lukken om een adviescommissie samen te stellen.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het Fonds als bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid moet vervullen. Een bestuursorgaan moet ervoor waken dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming beïnvloeden. [3] Hieruit vloeit voort dat een bestuursorgaan ook de schijn van belangenverstrengeling moet vermijden. Dit geldt ook voor door het bestuursorgaan ingeschakelde adviseurs, hier: de adviescommissie. [4]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het Fonds door het inschakelen van [C] als deskundige niet in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid omdat bij haar geen schijn van belangenverstrengeling kan worden aangenomen. In die zin oordeelt deze rechtbank anders dan rechtbank Amsterdam. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.4.
Het Fonds werkt met een adviescommissie die bestaat uit mensen uit het veld. Die adviescommissie adviseert vanuit haar deskundigheid over de aanvragen. In zo’n systeem waarin collega’s uit het veld over aanvragen adviseren, ligt een vraag over de schijn van belangenverstrengeling eerder voor dan in situaties waarbij dit niet het geval is. Los van het feit dat adviseurs in de podiumkunstpraktijk werkzaam zijn of zijn geweest, heeft het Fonds ook rekening te houden met de omstandigheid dat het voor de binding met de praktijk en de laatste ontwikkelingen van belang is dat de adviseurs nog betrokkenheid hebben in het veld. Het Fonds heeft onder deze omstandigheden een adviescommissie samen te stellen, waarbij het Fonds de grens moet bepalen wanneer een deskundige al dan niet bij bepaalde aanvragen ingeschakeld kan worden. Het Fonds heeft hiervoor een protocol. Dit protocol moet voorafgaand aan de advisering door commissieleden ondertekend worden, waarmee zij verklaren geen (in)direct persoonlijk belang te hebben. Daarnaast checkt het Fonds bij de samenstelling van de adviescommissie onder meer de voorervaring van adviseurs en bekijkt hij of de voorgenomen leden geen betrokkenheid hebben bij aanvragers in de subsidieronde waarover zij adviseren.
5.5.
Partijen zijn het erover eens dat [C] niet is betrokken bij een subsidieaanvrager in de subsidieronde waarin ook Pynarello deelnam. Het gaat erom of de schijn van belangenverstrengeling is gewekt ten aanzien van [C] vanwege haar betrokkenheid in het verleden bij subsidieaanvrager NBP. Dat ziet de rechtbank niet. De rechtbank ziet dat [C] in het verleden heeft samengewerkt met NBP. Er is dus sprake geweest van enige betrokkenheid. Die betrokkenheid is echter niet zodanig dat ook de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Vaststaat dat [C] gedurende een periode van dertien jaar in verschillende rollen met NBP heeft samengewerkt. De samenwerking tussen NBP en [C] is echter zes maanden voor aanvang van de subsidieronde geëindigd en was voor die tijd qua intensiteit teruggebracht tot anderhalve voorstelling per maand. De rechtbank ziet in deze omstandigheden onvoldoende grond voor het standpunt van Pynarello dat het Fonds [C] niet had kunnen inschakelen als deskundige, omdat sprake is van schijn van belangenverstrengeling.
5.6.
Gelet hierop concludeert de rechtbank dat het Fonds niet in strijd met het verbod van vooringenomenheid heeft gehandeld door [C] in te schakelen als deskundige. Zij mocht dan ook deelnemen aan de adviescommissie die over de aanvraag van Pynarello heeft geadviseerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Publieksfunctie
Doelgroepen en marketingstrategie
6. Pynarello is het niet eens met de adviescommissie dat een toelichting ontbreekt op de vraag wat de verhouding is tussen de verschillende doelgroepen die Pynarello wenst aan te spreken. Die doelgroepen zijn 55-plussers en 26-35-jarigen. Die doelgroepen worden duidelijk omschreven in het activiteitenplan en daarin zijn ook verschillende marketingstrategieën voor de doelgroepen opgenomen: de 55-plussers via maandelijkse nieuwsbrieven en de 26-35-jarigen via social media. Ook de bezwaaradviescommissie had dit moeten betrekken in haar advies. Daarnaast vindt Pynarello dat de inzet van influencers en het opzetten van een businessclub voor Young Professionals wel voldoende zijn uitgewerkt in het activiteitenplan. Dat de netwerken en bedrijven nog niet precies duidelijk zijn, kan Pynarello vanwege de nieuwe ontwikkelingen niet worden verweten.
6.1.
Het Fonds volgt het advies van de adviescommissie. De adviescommissie heeft de verhouding tussen de doelgroepen relevant mogen vinden voor een efficiënte marktstrategie. De vraag welke strategie de aanvrager kiest voor het behoud en verdieping van de bestaande doelgroepen is onderdeel van de beoordeling. Wat betreft de inzet van influencers en de inzet van een businessclub vindt het Fonds dat de adviescommissie kan worden gevolgd dat deze plannen onvoldoende concreet zijn.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de toelichting op de regeling volgt dat de publieksfunctie betrekking heeft op de relatie tussen de te ontwikkelen voorstellingen/concerten en het beoogde publiek. Hierbij wordt onder meer een visie gevraagd van Pynarello op het huidige publiek, op het toekomstige publiek en een visie op hoe Pynarello het huidige en het toekomstige publiek wil behouden/bereiken. In dat kader heeft de adviescommissie de verhouding tussen de verschillende doelgroepen die zich aangesproken voelen door wat Pynarello brengt van belang mogen vinden voor - zoals ook door de bezwaaradviescommissie nader is uitgelegd - een efficiënte marketingstrategie. De aard en omvang van de activiteiten en dus de verhouding tussen publieksgroepen zijn namelijk mede bepalend voor inzet van marketingstrategieën. Het advies van de adviescommissie is daarom op dit punt inzichtelijk en begrijpelijk.
6.3.
Wat betreft de plannen van de inzet van influencers en het opzetten van een businessclub overweegt de rechtbank dat de adviescommissie inzichtelijk heeft gemaakt dat in het activiteitenplan onvoldoende is uitgewerkt wat de strategieën en ambities zijn van deze inzet en hoe daaraan verder invulling zal worden gegeven. Gelet op de toelichting op de regeling gaat het daarbij om ambities en strategieën voor het behoud en verdieping van huidige publieksgroepen dan wel nieuwe publieksgroepen. De adviescommissie heeft het activiteitenplan op dit punt onvoldoende uitgewerkt mogen vinden. Het is blijkens de toelichting bij de regeling verder ook aan de adviescommissie om te beoordelen of een gekozen strategie past in de marketing en een publiekswerving bij de ambities. Over het opzetten van een businessclub en de inzet daarvan voor het bereik van het publiek Young Professionals had de adviescommissie van Pynarello dus ook mogen verwachten dat zij meer duidelijkheid had gegeven met welke netwerken en lokale bedrijven zij dit publiek wil bereiken. Nu is in het activiteitenplan enkel genoemd dat het om Young Professional netwerken en lokale bedrijven gaat. De adviescommissie heeft dit te weinig specifiek mogen vinden. Het Fonds heeft zich mogen baseren op het advies van de adviescommissie.
Aantal concerten
6.4.
De adviescommissie heeft een kanttekening gezet bij het feit dat Pynarello in de komende periode gemiddeld minder concerten per jaar zal verzorgen dan in de voorgaande twee jaren. In perspectief tot een publieksstijging van 20% vindt de adviescommissie dit ambitieus en niet overtuigend. Volgens Pynarello berust dit oordeel op een misvatting en is de vaststelling dat zij in de komende periode gemiddeld minder concerten gaat verzorgen dan in de periode daarvoor feitelijk onjuist. Van de 51 concerten hebben er twaalf vanwege corona in 2022 niet plaatsgevonden, maar mochten die wel in de aantallen worden meegenomen. Het daadwerkelijk aantal uitgevoerde concerten is in de periode 2025-2028 gelijk aan de jaren ervoor: rond de 40 concerten. Verder is de beoogde publieksstijging redelijk, omdat dit zich vertaalt in een jaar-op-jaar stijging van minder dan 5%. Ook heeft Pynarello concrete acties in het activiteitenplan opgenomen om dit te bereiken, zoals samenwerking met een uitvoerend marketeer, het gezamenlijk opstellen van een marketingplan bij alle concertlocaties en het opzetten van een CRM-systeem.
6.5.
Het Fonds ziet dat anders. De adviescommissie mocht haar advies baseren op de ingediende aanvraag en daaruit blijkt een daling in het aantal concerten ten opzichte van het jaar 2022 (van jaarlijks gemiddeld 46 concerten over de periode 2022-2023 naar jaarlijks gemiddeld 40 concerten over de periode 2025-2028), terwijl er geen daling in dat jaar te zien is van het aantal bezoekers en dat een jaar is waarin gedeeltelijke coronamaatregelen van kracht waren. In het verweerschrift is hierover nog opgemerkt dat de beoogde publieksstijging van 20% die zich vertaalt in een jaar-op-jaar stijging niet relevant is, omdat de adviescommissie heeft geconstateerd dat er minder concerten worden verzorgd. Ook heeft de adviescommissie de acties in het activiteitenplan als weinig concreet mogen beschouwen, omdat Pynarello die zelf niet in verband brengt met de publieksstijging.
6.6.
De rechtbank overweegt als volgt. De adviescommissie mocht in eerste instantie van de in het activiteitenplan opgegeven cijfers over het aantal concerten en bezoekersaantallen uitgaan en heeft op basis van deze cijfers kunnen constateren dat Pynarello in de komende periode gemiddeld minder concerten per jaar zal verzorgen dan in de voorgaande twee jaar. Uitgaande van deze cijfers is het advies dat een publiekstijging van 20% nogal ambitieus is, te volgen. Naar aanleiding van het bezwaar had het Fonds echter aanleiding moeten zien om de adviescommissie opnieuw hiernaar te laten kijken. In bezwaar is namelijk vastgesteld dat de cijfers uit de aanvraag uit het systeem komen en ook de concerten bevatten die door de bijzondere situatie van corona niet zijn gerealiseerd. Die mochten wel worden opgevoerd voor de verantwoording van de eerder gekregen subsidie, maar dat zegt dus niets over de concerten die Pynarello daadwerkelijk heeft verzorgd in die tijd. Dit wordt door het Fonds ook niet betwist. Pynarello geeft aan in 2022 niet 51 concerten (zoals opgenomen in de aanvraag) feitelijk te hebben uitgevoerd, maar 39 concerten. Dat levert een jaarlijks gemiddelde van 40 concerten over de periode 2022-2023 op en daarmee kan Pynarello worden gevolgd dat het gemiddeld aantal concerten dat zij in de periode 2025-2028 wil realiseren gelijk is gebleven met die in de voorgaande twee jaar. Dat er in 2022 geen daling is te zien in het aantal bezoekers is overigens blijkens de cijfers te wijten aan het aantal niet betalende bezoekers waarvan de rechtbank aanneemt dat dit ook te maken heeft met de bijzondere situatie van corona. De adviescommissie is dus ten onrechte uitgegaan van een daling van het aantal concerten. Aangezien de adviescommissie in het licht van de daling de voorgenomen publiekstijging te ambitieus vindt, houdt dit onderdeel van de beoordeling dus geen stand. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt overigens ook dat het Fonds de beoogde publieksgroei ambitieus maar niet onrealistisch vindt. Gelet hierop, had Fonds dus aanleiding moeten zien om hiermee terug te gaan naar de adviescommissie.
Tussenconclusie voor publieksfunctie
6.7.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie grotendeels te volgen is. Dat is alleen anders voor het standpunt van de adviescommissie dat de publieksstijging van 20% ambitieus en niet overtuigend zou zijn. Onvoldoende gemotiveerd is hoe de adviescommissie de publieksstijging ambitieus en niet overtuigend vindt, terwijl zij ten onrechte is uitgegaan van een daling van het aantal concerten. De adviescommissie zal hierover nader advies moeten uitbrengen, met inachtneming van wat hierover in deze uitspraak staat.
Betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
7. Pynarello vindt dat zij punten had moeten krijgen voor de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Zij wijst er daarbij onder meer op dat de adviescommissie haar activiteiten vier jaar geleden nog als onderscheidend en voorbeeldstellend zag. Zij kent ook geen voorbeelden van anderen die op een vergelijkbare bijzondere en onderscheidende manier werken. Ook is het onduidelijk hoe de resultaten van de periode 2021-2024 door de adviescommissie in het advies zijn meegewogen. Juist nu zij met haar activiteitenplan een ruim voldoende scoort op artistieke kwaliteit. Pynarello wijst er daarnaast op dat de adviescommissie ten onrechte stelt dat Pynarello haar repertoire brengt in de middelgrote zalen en festivals. Pynarello heeft juist in haar activiteitenplan toegelicht dat zij het publiek opzoekt in een AZC, buurthuizen, restaurants en fabrieksloodsen. De adviescommissie benoemt verder ook niet dat Pynarello op het gebied van publiekservaring een bijzondere rol speelt, omdat zij de afstand tot het publiek letterlijk en figuurlijke zo klein mogelijk maakt. Dit heeft de adviescommissie – en vervolgens ook de bezwaaradviescommissie – niet onderkend.
7.1.
Het Fonds vindt dat het advies van de adviescommissie kan worden gevolgd. Uit het advies uit de periode 2021-2024 van de adviescommissie volgt slechts dat Pynarello voorbeeldstellend kán zijn en dat de aanpak van Pynarello op zichzelf niet uitzonderlijk is, hoewel die in de traditionele klassieke muzieksector minder voorkomt. De aanpak van Pynarello was destijds in enige mate van betekenis, maar intussen niet meer als uitzonderlijk te beschouwen. Het is aan de adviescommissie om te adviseren vanuit haar deskundigheid over de betekenis die aan de activiteiten van Pynarello kan worden toegekend. Daarbij is wel ter referentie gekeken naar 2021-2024. De genoemde alternatieve speellocaties hoefden bovendien niet expliciet te worden genoemd in het advies. Het wordt namelijk maar summier verwoord in het activiteitenplan en deze alternatieve locaties maken bovendien nagenoeg geen onderdeel uit van de artistieke plannen voor de kalenderjaren 2025 en 2026. Ook de afstand tot het publiek is als presentatievorm door de adviescommissie voldoende mate in de beoordeling betrokken met als conclusie dat deze vorm aansluit bij de praktijk van andere vergelijkbare muziekensembles en orkesten waardoor nu geen sprake meer is van een bijdrage aan de Nederlands podiumkunstpraktijk die van bredere betekenis is. Het Fonds vindt dit begrijpelijk.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat het advies over de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk grotendeels inzichtelijk en begrijpelijk is. De rechtbank leest in het advies dat ook de voorgaande periode in de beoordeling is meegenomen. Dit volgt bijvoorbeeld uit het feit dat de adviescommissie schrijft dat Pynarello een eigen benadering volgt die intussen niet meer als uitzonderlijk is te beschouwen en dat Pynarello regelmatig samenwerkt met andere producerende podiumkunstinstellingen en makers. Hoewel hierin niet expliciet naar voorgaande jaren wordt verwezen, wordt daaruit wel duidelijk dat de huidige stand van Pynarello is meegenomen en tegen de plannen voor de toekomst zijn afgewogen. Dat Pynarello een andere visie heeft op wat zij betekent voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk, kan door de rechtbank niet als zodanig worden beoordeeld. Uit het advies blijkt verder ook dat naar de presentatievormen is gekeken met als conclusie dat deze vergelijkbaar zijn met die van andere vergelijkbare muziekensembles. Deze beoordeling ligt in de beoordelingsruimte van het Fonds en vooral bij de deskundigheid van de adviescommissie. In zoverre slaagt het betoog van Pynarello niet.
7.3.
Wel slaagt haar betoog over de alternatieve locaties waar zij speelt. In de toelichting op de regeling staat dat bij de beoordeling van dit criterium onder meer kan worden gekeken naar nieuwe publiekservaringen. Daarbij gaat het dan bijvoorbeeld om publieksopstelling of locatiekeuze. In de nadere motivering van de adviescommissie staat hierover geschreven dat Pynarello haar repertoire brengt in middelgrote zalen en festivals. De locatiekeuze sluit daarbij volgens de adviescommissie aan bij de praktijk van vergelijkbare muziekensembles en orkesten. Deze weergave van de locaties waar Pynarello speelt is onvolledig. Pynarello heeft in haar activiteitenplan ten minste drie keer verwezen naar het gebruik van alternatieve locaties, zoals in buurthuizen en een AZC, en legt de nadruk op het belang daarvan. Op dit moment volgt niet concreet uit het advies van de adviescommissie dat zij dit heeft erkend en hoe dit is meegewogen.
Tussenconclusie voor betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
7.4.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie grotendeels te volgen is. Dat is alleen anders voor het standpunt van de adviescommissie dat Pynarello haar repertoire brengt in middelgrote zalen en festivals. Dat vormt een onvolledige weergave van de feiten. De adviescommissie zal hierover nader advies moeten uitbrengen, met inachtneming van wat hierover in deze uitspraak staat.
Geografische spreiding
8. Pynarello stelt dat de beoordeling van de geografische spreiding in Nederland op voorhand niet transparant is geweest. Het Fonds heeft bij de beoordeling van de spreiding van de uitvoeringen over het land met een mediaan als meetmethode gewerkt. Daarnaast heeft het Fonds bepaald dat de voorstellingen in Amsterdam bij de beoordeling van de spreiding niet meetelden. Dit stond vooraf niet in de toelichting op de regeling vermeld. Als Pynarello dit vooraf had geweten, zou zij voor een andere spreiding hebben gekozen. Nu pakt de door Pynarello gekozen spreiding ongunstig uit. Pynarello verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar twee recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam. [5]
8.1.
Het Fonds heeft naar voren gebracht dat van alle aanvragers binnen een categorie percentueel is vastgesteld welk aandeel van hun uitvoeringen in een bepaalde regio of stad zal plaatsvinden. Per stad en regio zijn de percentages van de verschillende aanvragers op volgorde van klein naar groot gezet. Het middelste percentage (de mediaan) is als uitgangspunt gehanteerd bij het beoordelen van de spreiding van de individuele aanvragers. Het Fonds heeft de meetmethode vastgesteld nadat de aanvragen waren ingediend. Op basis van de uit de aanvragen verkregen informatie heeft het Fonds ervoor gekozen om het percentage gespeelde voorstellingen in Amsterdam niet mee te wegen bij de beoordeling van de geografische spreiding. Het Fonds heeft zich niet van te voren willen vastleggen op een methode omdat zij dit hebben willen laten afhangen van de uitkomsten van de ingediende aanvragen. Het Fonds stelt zich op het standpunt dat het hem vrij staat dit te doen.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat bij de bekendmaking van het subsidieplafond de wijze van verdeling moet worden bekendgemaakt. [6] De regels voor het verdelen van de subsidie moeten voorafgaand aan het aanvraagtijdvak worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een wijziging met terugwerkende kracht past hier niet bij. Dit zou in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en met de op het gelijkheidsbeginsel gebaseerde rechtsnorm dat een ieder een gelijke kans moet krijgen om mee te dingen naar de subsidie. [7] Dit betekent niet dat er na ontvangst van de aanvragen geen enkele nadere uitwerking meer is toegestaan. Beoordelingscriteria mogen na ontvangst van de aanvragen worden ontwikkeld, zolang er een voldoende mate van transparantie in acht wordt genomen. Dat kan bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de verantwoording die wordt afgelegd over de wijze waarop achteraf de wegingen en waarderingen hebben plaatsgevonden. [8]
8.3.
De rechtbank stelt verder vast dat in de toelichting op de regeling staat dat de geografische spreiding wordt beoordeeld aan de hand van twee onderdelen: de spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland en de vestigingsplaats. In deze zaak beperkt het geschil zich tot het eerste onderdeel: de spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland. In de toelichting op de regeling staat hierover vermeld dat de combinatie van het aantal voorstellingen en de spreiding over het land bepalend is voor de subscore op het onderdeel uitvoeringen, die maximaal 2 punten kan opleveren. Om de mate van spreiding vast te stellen en deze onderling te vergelijken heeft het Fonds de onder 8.1. vermelde methodiek gehanteerd die achteraf is vastgelegd en niet in de regeling is opgenomen.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat het Fonds de berekeningsmethode met de mediaan na ontvangst van de aanvragen heeft mogen vaststellen. Het Fonds had ervoor kunnen kiezen om in de toelichting op de regeling op te nemen dat er zou worden gerekend met een mediaan, maar het Fonds was hiertoe niet verplicht. In de toelichting op de regeling staat al dat er aan de hand van het aantal voorstellingen en spreiding over het land scores worden toegekend. Dat is voor aanvragers voldoende duidelijk om hun aanvraag op in te richten. Het Fonds heeft daarna enkel nog een berekeningsmethodiek met de mediaan ontwikkeld om de aanvragen te kunnen rangschikken. Dat hiervoor de informatie uit de aanvragen relevant is, kan de rechtbank volgen. Dat dit met zich meebrengt dat het voor Pynarello vooraf niet duidelijk was hoe de situatie van een mediaan voor haar zou uitpakken, maakt dit niet anders. Ook voor de andere aanvragers was dit niet duidelijk en dus is er ook geen sprake van strijd met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
8.5.
De rechtbank ziet dit echter anders ten aanzien van de achteraf genomen beslissing van het Fonds om voorstellingen in Amsterdam in het geheel niet mee te tellen. Over het uitsluiten van een bepaalde locatie heeft het Fonds niets in de toelichting op de regeling opgenomen, terwijl dit wel had gemoeten. Subsidieaanvragers hebben er namelijk bij hun aanvraag geen rekening mee kunnen houden dat voorstellingen in Amsterdam niet zouden meetellen. Als zij dat hadden geweten, dan hadden zij daarin andere keuzes kunnen maken. Als het gevolg van de anticipatie van aanvragers op dit punt zou zijn dat de vervolgens in de aanvraag opgegeven spreiding onrealistisch was, was er – zoals in de toelichting ook is opgenomen – voor het Fonds vervolgens weer ruimte om punten af te trekken. Daarin zou de beslissingsruimte van het Fonds dus niet zijn beperkt. Bovendien heeft het Fonds op zitting toegelicht dat hij al eens eerder een stad, namelijk Amsterdam, heeft uitgesloten van de berekening. Het idee van uitsluiting was daarom niet nieuw en had dan ook door het Fonds in de toelichting kunnen en moeten worden aangekondigd. In reactie op het standpunt van het Fonds, merkt de rechtbank verder nog op dat het Fonds ook zonder Amsterdam specifiek te noemen, had kunnen zorgen voor voldoende transparantie. Het Fonds had namelijk in de toelichting kunnen opnemen dat een stad of regio van de beoordeling zou worden uitgesloten in het geval het podiumkunstenaanbod daar zodanig groot is dat het geven van voorstellingen in die plaats niet bijdraagt aan een evenredige spreiding. Daarmee had het Fonds de mogelijkheid van uitsluiting voor de aanvragers in ieder geval inzichtelijk gemaakt. Het was dan aan de aanvragers om dit op eigen wijze te interpreteren en de afweging te maken of zij hierop zullen anticiperen. Dit alles maakt dat de rechtbank voor de uitsluiting van Amsterdam tot een ander oordeel komt dan voor het rekenen met een mediaan. Deze beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie voor geografische spreiding
8.6.
De rechtbank concludeert dat het beoordelingskader van de geografische spreiding op het onderdeel spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland vooraf onvoldoende kenbaar was. Dit betekent dat de beoordeling van het criterium geografische spreiding geen stand kan houden. Het is aan het Fonds om hier opnieuw naar te kijken, met inachtneming van wat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld.

Conclusie en gevolgen

9. Het advies van de adviescommissie kan het bestreden besluit niet dragen. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat het Fonds een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is vereist dat het Fonds een nieuw advies bij de adviescommissie opvraagt. De rechtbank geeft het Fonds tien weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Fonds het griffierecht aan Pynarello vergoeden en krijgt Pynarello ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het Fonds moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van Pynarello een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 2025;
- draagt het Fonds op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Fonds het griffierecht van € 385,- aan Pynarello moet vergoeden;
- veroordeelt het Fonds tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Pynarello.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van 't Hof, voorzitter, en mr. B. Fijnheer en
mr. A.A.M. Elzakkers, leden, in aanwezigheid van mr.L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233.
2.Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7860.
3.Dit volgt uit artikel 2:4, eerste en tweede lid, van de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8723 en de uitspraak van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3440.
5.Het gaat om de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7859 en ECLI:NL:RBAMS:2025:7860.
6.Artikel 4:26 van de Awb.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2310.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven