Stichting Pynarello heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een meerjarige productiesubsidie (2025-2028) door het Fonds Podiumkunsten. De afwijzing was gebaseerd op het advies van een adviescommissie die de aanvraag beoordeelde op vier criteria: artistieke kwaliteit, publieksfunctie, betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en geografische spreiding.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het advies van de adviescommissie op de criteria publieksfunctie en betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk niet op alle punten voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en begrijpelijk is. Daarnaast heeft het Fonds onvoldoende transparantie geboden over de beoordeling van het criterium geografische spreiding, met name over het achteraf uitsluiten van Amsterdam bij de beoordeling.
De rechtbank wijst het standpunt van Pynarello dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid bij een lid van de adviescommissie af. De samenwerking van dit lid met een andere subsidieaanvrager was te lang geleden en niet intensief genoeg om schijn van belangenverstrengeling aan te nemen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het Fonds op binnen tien weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij een nieuw advies van de adviescommissie moet worden ingewonnen. Tevens wordt het Fonds veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan Pynarello.