Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2050

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/1257
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn herbeoordeling WIA-aanvraag overschreden, dwangsom en proceskosten toegewezen

Eiseres heeft op 25 juli 2024 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-aanvraag ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, wat onomstreden is en door verweerder zelf erkend wordt. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 3 juni 2025 verstreken twee weken zonder beslissing, waarna eiseres op 10 februari 2026 beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat verweerder nog geen besluit heeft genomen en bepaalt dat verweerder binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is gebaseerd op de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de rechtbank Midden-Nederland.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard, waardoor eiseres recht heeft op vergoeding van proceskosten van € 467,- en het griffierecht van € 397,-, welke door verweerder moeten worden betaald.

De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier E.J.H.C. Hui op 4 maart 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, stelt een beslistermijn van vier maanden vast, legt een dwangsom op en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: H.E. Wonnink)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van mevrouw [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
3. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 25 juli 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 19 februari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 3 juni 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 10 februari 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
30 juli 2025. [1] De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.