Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2274

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt tijdige beslissing op Eerstejaars Ziektewetbeoordeling en legt dwangsom op

Stichting KSA Kinderopvang heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat verweerder niet tijdig een besluit heeft genomen op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) van een ex-werkneemster. De werkneemster was ziekgemeld per 3 december 2024, waardoor het EZWb-besluit uiterlijk op 2 december 2025 genomen had moeten zijn. Verweerder ontving een ingebrekestelling op 14 januari 2026, waarna twee weken verstreken zonder besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen. Gezien de achterstanden bij UWV door een tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een termijn van vier maanden vast, aansluitend bij eerdere jurisprudentie. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van het griffierecht van €397 en een proceskostenvergoeding van €467 aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier L. El Kabch op 1 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt verweerder binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

Stichting KSA Kinderopvang, uit Amersfoort, eiseres

(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster [A] heeft genomen.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt kan de betrokkene daartegen in
beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog een besluit moet worden genomen. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en
jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing [2] . Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. [3] De werkneemster van eiseres is per 3 december 2024 ziekgemeld. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 2 december 2025 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 14 januari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Daarna zijn twee weken verstreken. Verweerder heeft nog steeds geen EZWb-besluit genomen. Het beroep is daarom gegrond.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder wijst er in zijn verweerschrift op dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [4] . De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een EZWb in plaats van een WIA-(her)beoordeling, onvoldoende aanleiding om af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843.
3.Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet en de uitspraak van de CRvB van 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2812.