Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2561

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1644
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over overschrijding beslistermijn WIA-bezwaar en dwangsom

De Stichting Protestants Christelijk Onderwijs heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op een bezwaar over een WIA-uitkering. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar op 24 juni 2025 is ingediend en dat het UWV de ingebrekestelling op 14 januari 2026 ontving, waarna twee weken verstreken zijn zonder beslissing.

De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom moet betalen voor de overschrijding van de beslistermijn, vastgesteld op het maximale bedrag van €1.442,- voor 42 dagen. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van vier maanden op, aansluitend bij eerdere jurisprudentie en rekening houdend met het tekort aan verzekeringsartsen.

Daarnaast moet het UWV een dwangsom van €100,- per dag betalen voor elke dag dat de nieuwe termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000,-. De rechtbank veroordeelt het UWV ook tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1644

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

Stichting Protestants Christelijk Onderwijs, te Utrecht, eiseres,

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar omtrent de WIA-uitkering van mevrouw [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaar ingediend op 24 juni 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 12 maart 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 14 januari 2026 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 26 februari 2026 beroep ingesteld.
4. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
5. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld, maar er wel wat over gezegd in het verweerschrift.
De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels wel 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder
dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 [1] . De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. Het UWV moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres
betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. van Grootel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.