Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3004

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6591
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond werkgeversberoep tegen UWV-besluit over loongerelateerde WGA-uitkering

Achmea Interne Diensten N.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om een ex-werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen in plaats van een IVA-uitkering. De ex-werkneemster is sinds december 2020 arbeidsongeschikt en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat zij volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat haar beperkingen nog kunnen verbeteren.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek en de beoordeling van het UWV getoetst aan het beoordelingskader van de Centrale Raad van Beroep. De verzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek en medische informatie van GGZ Rivierduinen geconcludeerd dat er nog een reële kans op herstel bestaat, mede door de behandeling van verslavingsproblematiek en PTSS. Achmea stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de beoordeling niet voldeed aan de jurisprudentie, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De rechtbank oordeelt dat het UWV-besluit zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk is gemotiveerd. De medische rapportages voldoen aan de vereisten en de verzekeringsarts heeft concreet toegelicht waarom de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en Achmea krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van Achmea tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

Achmea Interne Diensten N.V., uit Zeist, eiseres

(gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Inleiding

1. De ex-werkneemster van eiseres is op 22 december 2020 uitgevallen voor haar werk als medewerker klant en relatie voor 25,88 uur per week. Na het doorlopen van de wachttijd heeft ex-werkneemster op 19 september 2022 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Met het besluit van 19 december 2023 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv ex-werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend per 20 december 2022 (datum in geding 1), omdat zij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 5 februari 2024 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv aan de ex-werkneemster meegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering per 20 maart 2024 (datum in geding 2) zal worden omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 6 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 maart 2026. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres en het Uwv deelgenomen.
1.5.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door eiseres nader ingebrachte medische rapportage van 18 februari 2026. Verweerder heeft op 23 maart 2026 een nadere reactie aan de rechtbank en eiseres toegezonden. Eiseres heeft hierop gereageerd op 17 april 2026.
1.6.
De rechtbank heeft partijen vervolgens gevraagd of zij gehoord wensen te worden op een tweede zitting. Nadat partijen niet hebben aangegeven een tweede zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
2. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft beslist dat de ex-werkneemster recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.
Het Uwv stelt dat ex-werkneemster weliswaar volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat een deel van haar beperkingen nog kan verbeteren. Eiseres is het hier niet mee eens en voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht en de medische beoordeling onjuist is omdat de beperkingen volgens haar wel duurzaam zijn. Daarom zou ex-werkneemster recht hebben op een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) op grond van de Wet WIA.
Beoordelingskader
3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. [1]
3.1.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. [2] De verzekeringsarts moet zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts beoordeelt dit volgens drie stappen van het stappenplan volgens het vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen’ (het Beoordelingskader). Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Ook als niet alle stappen van het beoordelingskader zijn gezet, is niet al daarom sprake van een motiveringsgebrek, als in dat concrete geval het besluit is voorzien van een deugdelijke motivering.
Werkgeversberoep
4. Het gaat in deze zaak om een werkgeversberoep. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen meebrengen dat verweerder een besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [3] Daarbij speelt mee dat werkgevers niet de mogelijkheid hebben om medische informatie in te brengen en dat een werkgever niet veel anders kan dan proberen aan te geven dat het onderzoek van verweerder onvoldoende is geweest of dat de door verweerder gegeven motivering het besluit niet kan dragen. [4]
De beoordeling van het geschil
5. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is en het onderzoek onzorgvuldig is verricht, omdat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector. Daarnaast is de medische beoordeling volgens eiseres onjuist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens eiseres de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster namelijk niet beoordeeld conform de vaste jurisprudentie van de CRvB, waarbij zij wijst op een aantal uitspraken. [5] Volgens eiseres moet beoordeeld en onderbouwd worden, of in het specifieke geval van ex-werkneemster nog een meer dan geringe kans op herstel van reëel arbeidsvermogen te verwachten is. De verzekeringsarts heeft niet concreet en deugdelijk gemotiveerd voor welke stoornis er een reëel en concreet perspectief wordt geboden gericht op verbetering van functionele mogelijkheden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres twee rapportages ingebracht van verzekeringsarts E. [A] van 21 oktober 2025 en 18 februari 2026.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid van de medische grondslag te twijfelen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 6 oktober 2025 de beperkingen van ex-werkneemster vastgesteld op basis van dossieronderzoek, daarnaast heeft hij informatie van de medische sector betrokken bij zijn onderzoek en is aanvullende informatie van GGZ Rivierduinen opgevraagd. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie miste om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd hoe de medische beoordeling tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt dat voor het opvragen van informatie door een verzekeringsarts als uitgangspunt geldt dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op het eigen medisch oordeel. [6] Het inwinnen van informatie bij de behandelend sector is alleen dan noodzakelijk als een behandeling is ingezet of zal worden ingezet en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden of als betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over de medische beperkingen. [7] Die gevallen doen zich hier niet voor. De beroepsgrond slaagt niet.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk gemotiveerd dat ex-werkneemster op de data in geding weliswaar volledig, maar niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie en motiveert dat oordeel als volgt.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 6 oktober 2025 geschreven dat ex-werkneemster vanwege haar verslavingsproblematiek meerdere keren opgenomen en behandeld is geweest. Daarnaast heeft zij een aantal psychische problemen, zoals PTSS, persoonlijkheidsproblematiek cluster B en psychotische en dissociatieve klachten en depressies. Zij heeft een aantal keer therapie gevolgd, ook heeft zij begeleiding van een psychiater en een psycholoog gehad en heeft zij een haptonoom bezocht.
5.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 6 oktober 2025 de stappen van het onder rechtsoverweging 3.1 genoemde beoordelingskader doorlopen ter beantwoording van de vraag of sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid van ex-werkneemster op basis van zijn medische conclusies op deugdelijke wijze heeft onderbouwd. Ten aanzien van de eerste stap heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat bij ex-werkneemster niet gesproken kan worden van een progressief ziektebeeld of een ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Bij ex-werkneemster is sprake van verslavingsproblematiek en PTSS, wat geen progressieve aandoeningen en geen stationaire aandoeningen zonder behandelmogelijkheden zijn.
5.6.
Ten aanzien van de tweede stap heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat verbetering in het eerstkomende jaar niet uitgesloten is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn beschouwing betrokken dat ex-werkneemster ten tijde van einde wachttijd (de eerste datum in geding) was opgenomen en nadien aanvullende behandeling heeft gevolgd. Na deze opname zou een langdurende en intensieve behandeling gaan plaatsvinden, conform het protocol passend bij de verslaving. Hiervan was bij voorbaat niet bekend tot welk eindresultaat dit zal leiden, dit is ook niet een algemeen vaste eindtoestand bij elke patiënt, maar is individueel verschillend. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zal het eindresultaat duidelijk zijn na het afronden van een dergelijke behandeling. Ook ten tijde van de tweede datum in geding zou ex-werkneemster nog een intensieve behandeling gaan volgen en stond zij nog op de wachtlijst.
5.7.
Ten aanzien van de derde stap heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat ex-werkneemster bij het spreekuur heeft aangegeven dat zij nog op de wachtlijst staat voor een nieuwe behandeling. Er kon daarom nog geen inschatting gemaakt worden van de prognose in de periode van een jaar na dat spreekuur. Er was nog niet bekend welke behandeling zij zou volgen. Dit wordt per patiënt bepaald en is niet voor iedere patiënt hetzelfde traject, zodat een eindsituatie niet bij voorbaat is vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie van de psychiater van GGZ Rivierduinen van 15 juli 2025 bij de beoordeling betrokken. Uit die informatie blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat ex-werkneemster wordt behandeld met het doel om de middelenverslaving af te bouwen en het negatieve effect van de medicatie uit te sluiten. Daarnaast zal ex-werkneemster behandeld worden voor PTSS, wat een behandelbare aandoening is. Ex-werkneemster wordt hiervoor ook behandeld met medicatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat ex-werkneemster geheel van de verslaving en PTSS kan herstellen, maar dat – ook door de behandelaar – niet te voorspellen valt wat het eindresultaat zal zijn.
5.8.
In zijn aanvullende rapportage van 23 maart 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de rapportage van [A] van 18 februari 2026. Daarin heeft [A] gesteld dat uit de onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet blijkt dat er in het geval van ex-werkneemster nog een meer dan geringe kans op herstel van reëel arbeidsvermogen te verwachten is. Volgens hem blijkt uit de informatie van de psychiater van de GGZ dat men slechts bezig was met het stabiliseren van ex-werkneemster en dat geen sprake was van een echte behandeling. Over het te verwachten effect van de behandeling kan ook moeilijk een uitspraak gedaan worden op basis van de informatie van de psychiater. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op grond van de rapportage van [A] geen aanleiding om het standpunt te wijzigen. In zijn rapportage heeft hij geconcretiseerd dat het algemeen bekend is dat de afbouw van de verslaving gunstig is voor zowel de fysieke als mentale gevolgen. Daarnaast is het volgens hem evident dat de behandeling kans van slagen heeft, omdat geen enkele behandeling zal worden gestart indien deze geen kans van slagen heeft. Hij wijst er voorts op dat de omstandigheid dat de behandeling mogelijk langer dan een jaar kan duren, maar een eerdere start van re-integratie naar arbeid of participatie wordt eveneens niet uitgesloten. Dat zal afhankelijk zijn van de snelheid van de afbouw van de verslaving en de ontwikkeling in het functioneren en de beperkingen.
5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de in overweging 3.1 genoemde voorwaarden. Anders dan eiseres stelt, berust motivering de verzekeringsarts bezwaar en beroep namelijk op de concrete en deugdelijke afweging van de medische situatie van ex-werkneemster en heeft hij onderbouwd wat het mogelijke resultaat is van de behandeling die zij volgt. De verzekeringsarts heeft namelijk concreet gemaakt dat de ingezette behandeling die ex-werkneemster volgt bij GGZ Rivierlanden erop is gericht de middelenverslaving af te bouwen en het negatieve effect van de medicatie uit te sluiten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan ex-werkneemster volledig van de verslaving genezen, waarbij hij de behoedzaamheid van de psychiater van de GGZ in aanmerking heeft genomen ten aanzien van zowel de snelheid als het eindresultaat van het behandelresultaat. De verzekeringsarts heeft voorts gesteld dat verbetering van belastbaarheid te verwachten is bij afbouw van verslaving. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de behandeling ook gericht is op PTSS, wat eveneens een behandelbare aandoening is, zo stelt ook de psychiater van de GGZ. Dat leidt tot de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat ex-werkneemster op de data in geding volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was, omdat niet uitgesloten is dat haar belastbaarheid kan verbetering met de behandelingen. Wat eiseres, onder verwijzing naar de rapportages van verzekeringsarts [A] , heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan de medische beoordeling van de verzekeringsartsen te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4 van Pro de Wet WIA.
2.Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:557.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van17 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3969 en van 21 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1686.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1936 en van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2598.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1581.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:907.