ECLI:NL:RBMNE:2026:3014

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/807
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek WIA-uitkering wegens ontbreken nieuw gebleken feiten

Eiseres, die sinds september 2020 ziek is uitgevallen, verzocht het UWV om herziening van het besluit van december 2021 waarbij haar WIA-uitkering werd beëindigd. Het UWV wees dit verzoek in augustus 2025 af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het bestreden besluit van januari 2026.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig is verlopen, ondanks het ontbreken van een spreekuurcontact. De beoordeling richtte zich op de vraag of er sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sinds het eerdere besluit. Hoewel er nieuwe medische inzichten zijn over het postcovidsyndroom, betreffen deze het ziektebeeld in algemene zin en niet de specifieke belastbaarheid van eiseres per datum in geding.

De rechtbank volgt de uitleg van de verzekeringsarts dat deze nieuwe inzichten geen aanleiding geven tot herziening van het besluit. Ook het aangevoerde onzorgvuldigheidsverweer faalt omdat eiseres destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het herzieningsverzoek WIA is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/807

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv, verweerder
(gemachtigde: R. van den Brink).

Voorgeschiedenis en besluitvorming

1. Eiseres is op 10 september 2020 ziek uitgevallen voor haar werk als [functie] voor gemiddeld 18 uur per week. Met het besluit van 14 december 2021 heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij per 15 januari 2022 (datum in geding) geen uitkering meer zal ontvangen op grond van de Ziektewet. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
1.1.
Eiseres heeft op 7 mei 2024 het Uwv verzocht om het besluit van 14 december 2021 te herzien. Het Uwv heeft de herzieningsaanvraag met het besluit van 11 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 5 januari 2026 (het bestreden besluit) is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres stelt dat haar vermoeidheidsklachten op grond van het postcovidsyndroom (PCS) zijn onderschat. De verzekeringsarts heeft eiseres beoordeeld in het licht van de medische wetenschap van destijds. Inmiddels zijn er nieuwe inzichten ontstaan in de medische wetenschap over de werking van het PCS, waardoor er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Eiseres heeft een aantal documenten ingebracht waaruit die nieuwe inzichten volgens haar blijken. Zij stelt dat in het geval van de beoordeling van klachten die voortvloeien uit het PCS, er een grote waarde toegekend moet worden aan het dagverhaal en daaruit de klachten (opnieuw) geobjectiveerd moeten worden. Eiseres wijst ter onderbouwing hiervan op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [1] Volgens eiseres kwalificeren de nieuwe inzichten als novum en eiseres wijst ter onderbouwing hiervan naar het Handboek WIA, waarin dit als voorbeeld van een novum wordt genoemd. [2] Eiseres stelt ook dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is. Zij is namelijk zowel bij dit besluit als het besluit van 14 december 2021 niet onderzocht door een verzekeringsarts op een spreekuur.
Was het onderzoek zorgvuldig?
3. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens bestudeerd en heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift inclusief de daarbij overgelegde medische stukken en het verslag van de gehouden hoorzitting. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding het onderzoek onzorgvuldig te achten omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met een dossieronderzoek. Het gaat in dit geval om een beoordeling of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling in 2021, waarbij een (persoonlijk) onderzoek in de zin van een spreekuurcontact door een verzekeringsarts niet noodzakelijk is. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd?
4. Het Uwv heeft de aanvraag van eiseres opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 14 december 2021 als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden toetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. [4]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres en het Uwv beiden onderkennen dat er nieuwe medische inzichten zijn in de kennis van PCS. Eiseres stelt dat die nieuwe inzichten weliswaar niet zien op haar specifieke gezondheidsklachten, maar dat dit desalniettemin als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Volgens verweerder kunnen die inzichten niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daarover het volgende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 2 januari 2026 uiteengezet dat de door eiseres ingebrachte informatie geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat, die betrekking hebben op de medische situatie van eiseres die directe invloed heeft op haar belastbaarheid. De ingebrachte informatie betreft met name geen onbekende of nieuwe gegevens ten opzichte van de medische situatie van eiseres. De ontwikkelingen betreffen het ziektebeeld PCS in het algemeen en zeggen niets over de belastbaarheid van eiseres per datum in geding. Hij stelt vervolgens dat de ontwikkelingen van de kennis over PCS zien op de etiologie, het herstel en de behandeling ervan, en dat maakt de vaststelling van de beperkingen in 2021 niet anders. Bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van PCS wordt uitgegaan van het individuele ziektebeeld en er zijn er geen algemene regels die gevolgd dienen te worden. Bij eiseres werd de medische situatie per datum in geding beoordeeld conform de eisen die aan het uitvoeren van een verzekeringsgeneeskundige onderzoek gesteld waren en nog steeds geldig zijn en zijn de MAOC-criteria toegepast. De belastbaarheid is vastgesteld op basis van destijds (en heden) aanwezige medische informatie over het ziektebeeld van eiseres. De rechtbank kan de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. Wat eiseres aanvoert, doet daar niet aan af. Weliswaar kunnen nieuwe medische inzichten onder omstandigheden als een novum worden aangemerkt, uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat dit in dit geval niet opgaat. Ook de uitspraak van de Centrale Raad van 28 november 2024 maakt dit niet anders. Uit die uitspraak volgt dat over de oorzaak en behandeling van PCS weinig bekend was en er bij die stand van zaken extra gewicht toe komt aan een zorgvuldige weging van de klachten en belemmeringen op consistentie en plausibiliteit. Uit de uitspraak valt niet af te leiden dat nieuwe medische inzichten als novum moeten worden beschouwd en dat eiseres in dat licht opnieuw onderzocht moet worden.
4.3.
Ten aanzien van de beroepsgrond dat het besluit van 14 december 2021 onzorgvuldig is geweest overweegt de rechtbank het volgende. Dat er in 2021 volgens eiseres geen spreekuurcontact heeft plaatsgevonden is een feite dat ten tijde van dat besluit al bekend was, van een nieuw feit is in dit geval dus geen sprake. Als eiseres het daar niet mee eens was, dan had het op haar weg gelegen om bezwaar tegen het besluit van 14 december 2021 te maken. Dat heeft eiseres echter niet gedaan.
4.4.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gemeld die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 14 december 2021. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [5] Eiseres heeft dit echter niet gesteld en de rechtbank is daarvan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2459.
2.Handboek Wetsuitleg WIA, WAO/WAZ/oWajong en ZW (sic).
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 29 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2077.
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 26 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:301.
5.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 9 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1796, en de daarin genoemde uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.