Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3070

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4285
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PwArt. 16 PwArt. 35 PwArt. 3:4 AwbZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor acupunctuurkosten wegens voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen

Eiseres, bekend met niet aangeboren hersenletsel en ernstige pijnklachten, vroeg bijzondere bijstand voor acupunctuurkosten. Het college wees dit af omdat de Zorgverzekeringswet een passende voorliggende voorziening is en er geen recht bestaat op kosten die daarin niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Het bezwaar van eiseres werd eveneens ongegrond verklaard.

Eiseres voerde aan dat het college het buitenwettelijk begunstigend beleid niet mocht negeren en dat het evenredigheidsbeginsel en artikel 35 van Pro de Participatiewet toepassing behoefden. De rechtbank oordeelde dat het college verplicht was eerst te toetsen aan de voorliggende voorziening en dat er geen ruimte was voor een belangenafweging. Ook was geen sprake van zeer dringende redenen die bijzondere bijstand rechtvaardigen.

De rechtbank baseerde zich op een medisch rapport van Argonaut, dat concludeerde dat er geen acute noodsituatie is en dat acupunctuur een ondersteunende behandeling betreft zonder levensbedreigend karakter. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de bijzondere bijstand voor acupunctuurkosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M. Journée).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor kosten van acupunctuur. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van acupunctuur. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.3.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting aangehouden om het college in staat te stellen de situatie van eiseres door een medisch deskundige te laten beoordelen met medeneming van door eiseres te overleggen medische informatie van haar acupuncturist. In dat kader is op 8 december 2025 en op 12 maart 2026 op verzoek van het college een medisch rapport opgesteld door Argonaut. Het college heeft bij brief van 31 maart 2026 de rechtbank geïnformeerd in deze rapportages geen aanleiding te zien tot aanvulling, wijziging dan wel intrekking van het bestreden besluit. Hierop is door eiseres bij brief van 10 april 2026 gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is bekend met niet aangeboren hersenletsel na coma op basis van de ziekte van Weil en ernstige pijnklachten door fibromyalgie en polyartrose. Ter verlichting van deze pijnklachten ondergaat eiseres wekelijks acupunctuurbehandelingen. Eiseres ontving hiervoor lange tijd, in aanvulling op de vergoeding van de zorgverzekeraar, bijzondere bijstand voor de kosten van acupunctuur. Deze bijzondere bijstand is laatstelijk toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. Eiseres heeft vervolgens opnieuw een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor kosten van acupunctuur.
4. Bij besluit van 21 februari 2025 heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is die gezien haar aard en doel geacht wordt passend en toereikend te zijn. [1] Ook bestaat er geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt en niet of niet geheel worden vergoed. Het bezwaar van eiseres hiertegen heeft het college met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college erop gewezen dat niet is gebleken van zeer dringende redenen om tot bijstandverlening over te gaan. [2] Ook kan eiseres geen rechten ontlenen aan de omstandigheid dat zij in voorgaande jaren wel bijzondere bijstand heeft gekregen voor de kosten van acupunctuur. Het beleid is gewijzigd in die zin dat het oude buitenwettelijk beleid op dit punt niet langer van toepassing is. Ten slotte is volgens het college voor een belangenafweging geen plaats.
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het college met het tegenwerpen van een voorliggende voorziening miskent dat er jarenlang buitenwettelijk begunstigend beleid is gevoerd. Daarbij wijst eiseres erop dat ook buitenwettelijk begunstigend beleid volledig moet worden getoetst aan hogere regelgeving, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Het college kan zich daarom niet beperken tot een beroep op de Zorgverzekeringswet. Daarbij geldt dat artikel 35 van Pro de Participatiewet (hierna: Pw) uitdrukkelijk ruimte biedt voor vergoeding van uit bijzondere omstandigheden voorvloeiende kosten van het bestaan. Verder kon het college niet volstaan met een verwijzing naar de beleidswijziging maar moest het college motiveren waarom toepassing daarvan in het concrete geval van eiseres proportioneel dan wel evenredig is. Eiseres wijst er in haar aanvullende gronden op dat zij in het geheel geen financiële ruimte heeft om zelf de kosten voor acupunctuur te betalen. Zij heeft namelijk al aanzienlijke uitgaven in verband met haar gezondheid en aandoeningen. Zo heeft zij extra stookkosten, is zij afhankelijk van een auto en moet zij een gezond dieet volgen. Ook hanteert het college een te beperkte uitleg van het begrip ‘zeer dringende redenen’ door dit uitsluitend te koppelen aan levensbedreigende situaties of dreigend blijvend letsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Voorliggende voorziening
6. Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Pw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
7. Voor medische en paramedische zorg is de Zorgverzekeringswet (Zvw) een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Pw. In deze regelgeving is in het algemeen een bewuste keus gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten. Dat is vaste rechtspraak [3] . Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van acupunctuur niet op grond van de Zvw worden vergoed. Dit betekent dat er voor het college in beginsel geen ruimte is om de gevraagde bijzondere bijstand te verstrekken.
8. Voor zover eiseres zich beroept op het bepaalde in artikel 35 van Pro de Pw, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het systeem van de Pw volgt dat het college in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand eerst is gehouden te onderzoeken of sprake is van een zogenoemde voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de Pw. Er is geen ruimte voor het verlenen van bijzondere bijstand wanneer binnen een voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening. Daarna pas komt verweerder toe aan een onderzoek of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Dat betekent ook dat aan een beoordeling van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw niet wordt toegekomen. [4]
9. Het betoog van eiseres dat het college had moeten meewegen dat jarenlang buitenwettelijk begunstigend beleid is gevoerd, treft in dit verband geen doel. Eiseres beroept zich in dat kader op het evenredigheidsbeginsel, dat is verwoord in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor toetsing aan die bepaling is echter geen ruimte omdat de artikelen 15, eerste lid, en 35, eerste lid, van de Pw een verplichtend karakter hebben. Daarom is voor een belangenafweging geen plaats. De omstandigheid dat aan eiseres eerder wel bijzondere bijstand is verleend, maakt dit niet anders. De door eiseres in dit verband aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad [5] leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Deze ziet immers op de toetsing van buitenwettelijk begunstigend beleid waar hier geen sprake (meer) van is. Evenmin mocht eiseres erop vertrouwen dat dit beleid nooit zou eindigen. Een bestuursorgaan heeft immers de bevoegdheid om haar buiten- of tegenwettelijk begunstigend beleid op enig moment te wijzigen.
Deze beroepsgrond faalt.
Zeer dringende redenen
10. Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Eiseres vindt dat de recente lijn in de jurisprudentie van de CRvB maakt dat haar situatie als een dergelijke ‘zeer dringende reden’ kan worden aangemerkt.
11. De CRvB heeft geoordeeld dat bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet moet worden meegewogen of het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. [6] Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat aan die voorwaarde is voldaan.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door eiseres niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een dergelijke extreme situatie. De door eiseres in dit verband overgelegde informatie, een brief van haar huisarts en een brief van haar arts-acupuncturist leiden hierbij niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat deze brieven zijn betrokken in het medisch onderzoek door Argonaut dat het college heeft laten uitvoeren naar de situatie van eiseres.
13. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag het college zich mag baseren op een medisch advies als dat advies voldoende zorgvuldig tot stand gekomen is en volledig is.
14. De rechtbank is van oordeel dat de medische raportage van Argonaut van 8 december 2025 en de aanvulling daarop van 12 maart 2026 volledig is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hierbij is van belang dat de arts van Argonaut onderzoek heeft verricht in de vorm van anamnese, observatie en oriënterend onderzoek. Ook heeft de arts nadrukkelijk kennisgenomen van de door eiseres overgelegde medische informatie; de brief van haar huisarts en de brief van de acupuncturist, mevrouw Kruithof, van 31 oktober 2025. Op basis van deze informatie heeft de arts van Argonaut zich een duidelijk beeld kunnen vormen van de medische situatie van eiseres.
15. Uit de medische rapportage van Argonaut blijkt dat de adviseur in het geval van eiseres concludeert dat niet kan worden vastgesteld dat er zich een acute noodsituatie voordoet als er geen bijzondere bijstand wordt verleend voor acupunctuur en dat er ook geen medische informatie is ingebracht waaruit dit blijkt. De arts heeft in het advies toegelicht dat het duidelijk is dat het contact met de therapeut is aan te merken als een essentieel sociaal contact, die de ervaren kwaliteit van leven van eiseres ondersteunt en daarmee tenminste is aan te merken als een belangrijke vorm van ondersteunende begeleiding. Verwacht kan worden dat het wegvallen van de behandelcontacten tot significante toename van pijnklachten en aantasting van functioneren en kwaliteit van leven zal leiden. Dit maakt echter niet dat kan worden vastgesteld dat er zich een acute noodsituatie voor eiseres voordoet als er geen bijzondere bijstand wordt verleend voor acupunctuur. Er is namelijk geen sprake van een uitzonderlijke situatie met de combinatie van objectiveerbare noodzakelijke behandelingen voor acute problematiek met een levensbedreigend karakter in combinatie met situatie van onverzekerd zijn en geen voorliggende regelingen. Wel gaat het om een chronisch langdurige voorzetting van een wekelijkse interventie met het oogmerk stabilisatie en voorkomen van achteruitgang ten aanzien van chronische pijnklachten en beperkingen in het functioneren van eiseres. Door de arts wordt opgemerkt dat alternatieve behandelingen vanuit regulier medisch oogpunt per definitie niet als objectiveerbaar medisch noodzakelijk gelden. Ook wordt gewezen op mogelijk nog voorliggende regelingen zoals Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg via het CAK. Er is met de huidige situatie geen uitzicht op relevante verbeteringen van de medische situatie. De arts ziet ook reden om ervan uit te gaan dat er in de medische situatie van eiseres de afgelopen jaren wezenlijke verbeteringen zijn opgetreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arts hiermee duidelijk en inzichtelijk uitgelegd waarom niet kan worden vastgesteld dat het gaat om een extreme situatie in die zin dat sprake is van een schrijnende situatie waarvan evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het college heeft zich dan ook op de medische rapportage van Argonaut mogen baseren. Nu eiseres verder niet met medisch verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat aan de juistheid van de medische rapportage van Argonaut moet worden getwijfeld, is de rechtbank van oordeel dat het college heeft mogen uitgaan van de juistheid ervan.
Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.W. van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 15, van de Pw.
2.als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313.
4.Zie ook uitspraak van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:784.
5.Uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
6.Uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.