ECLI:NL:CRVB:2024:2313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor MiraDry-behandeling wegens voorliggende voorziening Zvw
Appellant, met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en aanvullende bijstand, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een tweede MiraDry-behandeling wegens hyperhidrosis axillaris. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en de behandeling niet tot het verzekerde pakket behoort.
De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij stelde dat de behandeling om budgettaire redenen buiten de Zvw is gelaten en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze reden. De Raad oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan van een voorliggende voorziening bij het college ligt en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitsluiting louter budgettair is.
De Raad verwees naar vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis van de Participatiewet en Zvw, waarin is bepaald dat bijstand niet wordt verleend voor kosten die binnen een voorliggende voorziening vallen en waarvoor een bewuste beleidskeuze is gemaakt. Het Zorginstituut Nederland concludeerde dat de MiraDry-behandeling niet voldoet aan het criterium van stand van wetenschap en praktijk, waardoor het geen verzekerde prestatie is.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen bijzondere bijstand en geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor de MiraDry-behandeling wordt afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en de behandeling niet voldoet aan de criteria voor vergoeding.