ECLI:NL:RBMNE:2026:3777

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/7627
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 Wht
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag overname private schuld wegens ontbreken notariële akte

Eiser, als toeslagpartner en gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire, verzocht om overname van een schuld van €50.000,- aan zijn ouders. De aanvraag werd door Sociale Banken Nederland namens de Minister van Financiën afgewezen omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte, een vereiste onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

Eiser voerde aan dat de schuldbekentenis uit Suriname wel een notariële akte betrof en deed tevens een beroep op de hardheidsclausule vanwege de financiële nood door de toeslagenaffaire. De rechtbank oordeelde echter dat de schuldbekentenis slechts een legalisatie van handtekeningen betrof en niet voldeed aan de eisen van een notariële akte. Daarnaast ontbraken objectieve bewijsstukken die het bestaan van de schuld aannemelijk maakten.

De rechtbank concludeerde dat de dwingende voorwaarden van de Wht niet waren vervuld en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat geen schrijnende omstandigheden waren aangetoond. Het beroep werd ongegrond verklaard, de schuld wordt niet overgenomen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af omdat de schuld niet voldoet aan de vereisten voor overname onder de Wet hersteloperatie toeslagen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7627

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Rosbach),
en

De Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor de overname van zijn schuld aan zijn ouders. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de schuld van eiser niet voldoet aan de vereisten in de Wet hersteloperatie toeslagen voor overname van private schulden. Omdat de rechtbank geen andere aanknopingspunten heeft dat eiser een schuld heeft bij zijn ouders, slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser is als toeslagpartner aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire. In dit kader heeft eiser een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van een schuld van
€ 50.000,- aan zijn ouders. SBN heeft deze aanvraag namens de Minister met het besluit van 8 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 op het bezwaar van eiser is de Minister bij de afwijzing van de aanvraag van eiser gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wet hersteloperatie toeslagen
4. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking voor overname van private schulden die voldoen aan de vereisten van de Wht. De regeling met betrekking tot het overnemen van private schulden is verduidelijkt in de Memorie van Toelichting [1] en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2] Hieruit blijkt dat de regeling onderdeel is van de zogenoemde schuldenaanpak, die is opgezet om gedupeerde ouders met schulden die zijn ontstaan of verergerd door de toeslagenproblematiek, te helpen bij het maken van een nieuwe start. Het maakt niet uit of het ontstaan of verergeren van de schuld waarvan om overname wordt verzocht is te herleiden tot de terugvordering van kinderopvangtoeslag. Schuldovername houdt in dat de private schuld van een gedupeerde ouder of diens toeslagpartner overgaat op de overheid.
5. Om in aanmerking te komen voor de overname van private schulden dient de gedupeerde ouder zelf een aanvraag in te dienen. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de ouder om de benodigde gegevens te verstrekken. [3] Het overnemen van private schulden wordt uitgevoerd door SBN, namens de Minister. Op grond van de Wht neemt SBN een schuld over als deze is ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan. [4] Het begrip opeisbaarheid moet worden uitgelegd naar het civiele recht. Dat betekent dat een vordering opeisbaar is vanaf het moment waarop de schuldeiser daarvan nakoming kan vorderen. [5]
6. Schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele/private schulden) worden alleen overgenomen als – kort gezegd – de schuld is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. [6] De eis van de notariële akte dient als bewijs van het bestaan van de schuld en van de betalingsafspraken die zijn gemaakt. [7]
Bestreden besluit
7. De Minister heeft de schuld van eiser aan zijn ouders aangemerkt als informele schuld. Volgens de Minister is deze schuld niet vervat in een notariële akte, waardoor de schuld niet voor overname in aanmerking komt. De schuldbekentenis in het dossier van 11 oktober 2019, waarin de ouders verklaren dat zij in de jaren 2016, 2017 en 2018 elk jaar een bedrag van € 10.000,- en in 2019 een bedrag van € 20.000,- in contanten ter leen hebben verstrekt aan hun zoon, is door de notaris gezien voor legalisatie van de handtekeningen. De notaris heeft de schuldbekentenis dus niet zelf opgemaakt of verleden, waardoor het geen notariële akte is. Van een opeisbare schuld vóór 1 juni 2021, omdat in de schuldbekentenis staat dat de bedragen uiterlijk 1 januari 2021 moeten zijn terugbetaald, is de Minister niet gebleken. In de schuldbekentenis zijn namelijk geen afspraken gemaakt over aflossingsmomenten, de wijze van terugbetaling en de gevolgen van niet-nakoming. Ook hebben de ouders van eiser aanvankelijk verklaard de schuld niet te hebben opgeëist. Omdat het bestaan van de schuld niet met andere objectieve en verifieerbare gegevens door eisers aannemelijk is gemaakt en niet is gebleken van schrijnende omstandigheden, is volgens de Minister geen sprake van een situatie waarin toepassing van de Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. [8]
Standpunten van eiser
8. Eiser voert aan dat sprake is van een onjuiste kwalificatie van de in Suriname opgestelde akte. Volgens eiser is sprake van een notariële akte en is de schuldbekentenis niet slechts een verzameling van gelegaliseerde handtekeningen. De akte is opgesteld, ondertekend en voorzien van een stempel van de notaris. Onder internationaal privaatrecht geldt dat een notariële akte uit een ander land geldig is zolang deze is opgesteld door een bevoegde buitenlandse notaris en voldoet aan de vormvereisten van dat land. De Minister heeft volgens eiser ook onzorgvuldig gehandeld, omdat hij geen contact heeft opgenomen met de notaris in Suriname. Ook is de beschuldiging van de Minister dat de akte achteraf is opgesteld volgens eiser onjuist. In de notariële akte is bepaald dat de aflossing van de schuld op 1 januari 2021 plaatsvindt. Omdat deze datum is gelegen vóór 1 juni 2021 voert eiser aan dat de schuld opeisbaar is, zodat de schuld voldoet aan de vereisten in de Wht voor overname. Eiser doet ook een beroep op de hardheidsclausule. Door de toeslagenaffaire moest eiser naar eigen zeggen veel geld lenen bij zijn ouders om te overleven. Dat is volgens eiser precies de categorie waarvoor de hardheidsclausule is bedoeld. Verder voert eiser aan dat het proces rond de hoorzitting in bezwaar onzorgvuldig is geweest, omdat bij het oorspronkelijke besluit op bezwaar een hoorverslag was bijgevoegd over iemand anders, om welke reden dit besluit later weer is ingetrokken.
Oordeel van de rechtbank
Vereiste notariële akte
9. De rechtbank is van oordeel dat de private schuld van eiser niet voor overname in aanmerking komt, omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte. Met de Minister is de rechtbank van oordeel dat de door de notaris ondertekende en gestempelde schuldbekentenis tussen eiser en zijn ouders geen notariële akte is, maar een legalisatie van handtekeningen. De notaris heeft niet meer verklaard dan dat de handtekeningen op de schuldbekentenis van degenen zijn van wie het identiteitsbewijs is bijgevoegd, oftewel van eiser en zijn ouders. Met de schuldbekentenis is naar het oordeel van de rechtbank dus niet aangetoond dat eiser een schuld van € 50.000,- bij zijn ouders heeft. De beroepsgrond dat de schuld voor overname in aanmerking komt, omdat wordt voldaan aan de vereisten voor overname in de Wht, slaagt niet.
Hardheidsclausule
10. De in de Wht neergelegde vereisten voor de overname van private schulden, waaronder die van een notariële akte, zijn dwingend geformuleerd. Alleen wanneer aan die vereisten is voldaan, komt de schuld voor overname in aanmerking. Dit is alleen anders wanneer aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, indien toepassing van de vereisten voor de overname van private schulden zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [9]
11. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. [10] Een bijzondere situatie waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt kan eruit bestaan dat, gelet op andere authentieke documenten, aan het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen. [11] Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [12]
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet met bewijsstukken het bestaan van de private schuld aannemelijk heeft gemaakt. Zo ontbreken ook andere bewijsstukken, zoals bankafschriften, dat de betalingen in elk van de genoemde jaren daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en voor welke bedragen. Uit de schuldbekentenis volgt ook niet dat op het notariskantoor een contant geldbedrag aan eiser is overgedragen, zoals eiser op de zitting heeft verklaard. De rechtbank heeft dus geen bewijsstukken gezien dat eiser een openstaande schuld bij zijn ouders heeft, waardoor een bijzondere situatie in het kader van de hardheidsregeling zich niet voordoet. Van schrijnende omstandigheden is de rechtbank ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Zorgvuldigheid

13. Wat er ook van het hoorverslag zij, de rechtbank is van oordeel dat voor de beoordeling of de private schuld van eiser voor overname in aanmerking komt voldaan moet worden aan de voorwaarden in de Wht. Dat is hier niet het geval. De hoofdregel is dat de aanvrager het bestaan van de private schuld voldoende aannemelijk moet maken. In het kader van zorgvuldig onderzoek heeft de Minister de private schuld bij de schuldeisers geverifieerd. Dat zijn de ouders van eiser. De onderzoeksplicht van de Minister strekt echter niet zover dat de Minister het bestaan van de schuld bij de notaris moet verifiëren. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat contact met de notaris moet worden opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de private schuld van eiser niet wordt overgenomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:630.
3.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 oktober 2025, ECLI:RBMNE:2025:6306.
4.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
5.Uitspraak van de Afdeling van 26 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5550.
6.Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht
7.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 oktober 2025, ECLI:RBMNE:2025:6306.
8.Artikel 9.1 van de Wht.
9.Artikel 9.1, tweede lid, van de Wht en uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:RVS:2024:2045.
10.Uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:628.
11.Uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2055.
12.Uitspraak van de Afdeling 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2309.