Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft op 24 december 2025 een verzoek ingediend bij de Raad van bestuur van het UWV om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit verzoek beslist, wat onbetwist is en door verweerder zelf is erkend.
De rechtbank stelt vast dat eiser een ingebrekestelling heeft gestuurd op 6 mei 2026 en dat sindsdien de wettelijke termijn van twee weken is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen.
Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een beslistermijn van twee maanden vast, aansluitend bij eerdere jurisprudentie. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000.
Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard, waardoor eiser recht heeft op vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten en €54 aan griffierecht aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier E.J.H.C. Hui op 18 juni 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee maanden alsnog een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.