ECLI:NL:RBMNE:2026:3915

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Blokkering bijstandsuitkering wegens vermoedelijke schending inlichtingenplicht rechtmatig

Verzoekster ontvangt sinds 2013 een bijstandsuitkering en haar uitbetaling is per 1 april 2026 geblokkeerd vanwege een vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met de heer A, wat zij niet heeft gemeld. Dit leidde tot een onderzoek door verweerder, waarbij onder meer waarnemingen en een huisbezoek plaatsvonden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op basis van de verzamelde gegevens, zoals het frequent parkeren van de auto van de heer A bij verzoeksters woning en de aanwezigheid van persoonlijke spullen van hem in de woning, een redelijk vermoeden bestond dat verzoekster haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Dit vermoeden rechtvaardigde de blokkering van de uitkering.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de blokkering een feitelijke handeling is en dat het oordeel voorlopig is, zonder bindende werking in een bodemprocedure. Na afronding van het onderzoek heeft verweerder de bijstand ingetrokken met ingang van 3 maart 2026. Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen, en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De voorzieningenrechter oordeelt dat de blokkering van de bijstandsuitkering op basis van een redelijk vermoeden van schending van de inlichtingenplicht rechtmatig is en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3396

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en

Werk en Inkomen Lekstroom, WIL, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Keesen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de blokkering van de betaling van de bijstandsuitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekster is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Spoedeisend belang
2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Het verzoek heeft betrekking op een de blokkering van een bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoekster heeft aangegeven dat zij op dit moment geen inkomen heeft. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend karakter aan en zal de zaak verder beoordelen.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Blokkering van de uitkering
5. Verzoekster ontvangt sinds 2013 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van de constatering door de afdeling Bijzondere Regelingen op 29 januari 2025 dat verzoekster sinds 16 september 2024 op haar BRP-adres een briefadreshouder heeft met de naam [A] , is verder onderzoek gedaan naar de woonsituatie van verzoekster. In dat kader is onder meer bij diverse instanties informatie opgevraagd, zijn er verkennende waarnemingen bij het BPR-adres van verzoekster verricht en heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Ook heeft er op 19 december 2025 een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. De uitbetaling van bijstand is met ingang van 1 april 2026 geblokkeerd omdat wordt vermoed dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met de heer [A] (hierna: [A] ). Omdat verzoekster dit niet heeft gemeld bij verweerder is sprake van schending van de inlichtingenplicht. De voorzieningenrechter overweegt in dit kader het volgende.
6. Verweerder is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand. Verweerder is een dergelijk onderzoek gestart op 11 november 2025. Uit dit onderzoek zijn gegevens bekend geworden die er op (zouden kunnen) wijzen dat verzoekster haar wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen. Voor verweerder was dit aanleiding om tot blokkering van de betaling van de bijstandsuitkering over te gaan.
7. Blokkering is een feitelijke handeling, die in de tijd wettelijk niet is begrensd. Of het blokkeren van de betaling van bijstand geoorloofd is, hangt naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (28 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7110 en 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3025) in het algemeen af van de vraag of het bijstandsverlenende orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op uitkering niet meer bestaat, dan wel dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat of de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.
8. De voorzieningenrechter is van (voorlopig) oordeel dat op basis van de beschikbare gegevens bij verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit tenminste een redelijk vermoeden kon bestaan dat verzoekster haar inlichtingenplicht had geschonden en dat er voor haar niet onverkort recht op bijstand bestond. Zo is uit de verkennende waarnemingen bij het bij het BRP-adres van verzoekster gebleken dat de auto die in gebruik is bij [A] in de vroege ochtend en late avond in de onderzoeksperiode vrijwel altijd bij verzoekster voor de deur staat geparkeerd. Dit terwijl verzoekster heeft verklaard dat [A] , die de auto gebruikt voor woon-werkverkeer, enkel in de weekenden en op feestdagen bij haar verblijft. Ook heeft [A] een sleutel van de woning en zijn bij het huisbezoek veel meer spullen van [A] op het adres van verzoekster aangetroffen dan dat verzoekster had aangegeven, onder andere truien, jassen, schoenen, (onder)broeken, werkkleding (hangend aan een droogrek), (niet recente) post, sokken, verzorgingsproducten, aanstekers, sigarettenpakjes, visspullen, gereedschap en autobanden.
9. De voorzieningenrechter is gelet op vorengaande van voorlopig oordeel dat de blokkering rechtmatig was. Er was voldoende feitelijke grondslag om de blokkering te laten voortduren totdat verweerder, na afronding van de Rapportage Intensieve Controle Deelnemer op 30 april 2026 bij besluit van 13 mei 2026 is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 3 maart 2026, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met de heer [A] .

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.