ECLI:NL:RBMNE:2026:3915
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Blokkering bijstandsuitkering wegens vermoedelijke schending inlichtingenplicht rechtmatig
Verzoekster ontvangt sinds 2013 een bijstandsuitkering en haar uitbetaling is per 1 april 2026 geblokkeerd vanwege een vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met de heer A, wat zij niet heeft gemeld. Dit leidde tot een onderzoek door verweerder, waarbij onder meer waarnemingen en een huisbezoek plaatsvonden.
De voorzieningenrechter stelt vast dat op basis van de verzamelde gegevens, zoals het frequent parkeren van de auto van de heer A bij verzoeksters woning en de aanwezigheid van persoonlijke spullen van hem in de woning, een redelijk vermoeden bestond dat verzoekster haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Dit vermoeden rechtvaardigde de blokkering van de uitkering.
De voorzieningenrechter benadrukt dat de blokkering een feitelijke handeling is en dat het oordeel voorlopig is, zonder bindende werking in een bodemprocedure. Na afronding van het onderzoek heeft verweerder de bijstand ingetrokken met ingang van 3 maart 2026. Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen, en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De voorzieningenrechter oordeelt dat de blokkering van de bijstandsuitkering op basis van een redelijk vermoeden van schending van de inlichtingenplicht rechtmatig is en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.