ECLI:NL:RBMNE:2026:4143

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AnwArt. 3 AnwArt. 34 AnwArt. 53 AnwArt. 6 EVRM
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De rechtbank vernietigt gedeeltelijk intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding

Eiseres ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na onderzoek vast dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar jongste kind en trok de uitkering met terugwerkende kracht in, vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug en legde een boete op.

De rechtbank beoordeelde of de Svb aannemelijk had gemaakt dat eiseres en de heer [naam 2] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar. Uit diverse onderzoeksbevindingen, waaronder waarnemingen, buurtonderzoeken, nutsverbruik, sportschoolbezoek, pinbetalingen en pakketbezorgingen, concludeerde de rechtbank dat de Svb dit slechts aannemelijk had gemaakt vanaf 12 november 2024.

Voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024 was dit onvoldoende aangetoond, waardoor de intrekking en terugvordering over die periode onterecht waren. Ook de boete werd vernietigd omdat de Svb niet aan de zwaardere bewijslast had voldaan. De rechtbank bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering en veroordeelde de Svb tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking en terugvordering over de periode 1 juni 2024 tot 11 november 2024 en de boete, en bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing neemt over de terugvordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).

Samenvatting

1. Eiseres genoot een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Svb heeft, na onderzoek naar de leefsituatie van eiseres, vastgesteld dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met de heer [naam 1] ( [naam 2] ). De Svb heeft daarom de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd. Daarnaast heeft de Svb een boete aan eiseres opgelegd.
1.1.
Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Svb de Anw-uitkering heeft mogen intrekken en terugvorderen en of de Svb terecht een boete heeft opgelegd.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb voor een deel van de periode waarover de uitkering is ingetrokken en teruggevorderd aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 2] . Voor een ander deel van de periode geldt dat echter niet. De besluiten over de intrekking en terugvordering kunnen daarom niet in stand blijven. Verder houdt ook de opgelegde boete geen stand.

Procesverloop

2. De Svb heeft bij besluit van 8 juli 2025 de nabestaandenuitkering van eiseres ingetrokken vanaf 1 juni 2024. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat eiseres en [naam 2] sinds [geboortedatum] 2024 samen een dochter hebben en dat [naam 2] ook zijn hoofdverblijf heeft bij eiseres. Zij voeren daarom sindsdien een gezamenlijke huishouding.
2.1.
Bij besluit van 20 augustus 2025 heeft de Svb over de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2025 van eiseres een bedrag teruggevorderd ter hoogte van € 21.569,21 bruto wegens onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Daarnaast heeft de Svb aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 2.455,35.
2.2.
Eiseres heeft tegen de besluiten van 8 juli 2025 en 20 augustus 2025 bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 op de bezwaren van eiseres is de Svb bij de intrekking, terugvordering en boete gebleven.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld met behulp van een digitale verbinding. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Svb.

Feiten en omstandigheden

3. Eiseres ontving vanaf 1 juni 2017 een nabestaandenuitkering.
3.1.
De afdeling Preventie & Handhaving van de Svb heeft op 26 augustus 2024 een melding ontvangen dat eiseres op [geboortedatum] 2024 een dochtertje heeft gekregen. Deze melding gaf aanleiding voor de Svb om onderzoek te doen naar de leefsituatie van eiseres op haar woonadres in [plaats 1] .
3.2.
De Svb heeft eiseres verzocht om het formulier ‘onderzoek woonsituatie’ ingevuld terug te sturen naar de Svb. Eiseres heeft hierop vermeld dat zij alleen met haar twee minderjarige kinderen op het adres in [plaats 1] woont. In het kader van het onderzoek heeft de Svb Suwinet en openbare bronnen op internet geraadpleegd, gegevens opgevraagd over het nutsverbruik op het woonadres van eiseres en het woonadres van [naam 2] (in [plaats 2] ), de vader van het jongste kind. Vervolgens heeft de Svb aan de hand van bankafschriften van [naam 2] onderzocht waar zijn pinbetalingen plaatsvinden. Daarnaast heeft de Svb onderzocht waar [naam 2] pakketten laat bezorgen en informatie opgevraagd bij de sportschool in [plaats 1] waarvan [naam 2] lid is. Verder bestaat het onderzoek uit 22 waarnemingen bij het woonadres van eiseres, buurtonderzoeken bij eiseres en [naam 2] , een onaangekondigd huisbezoek op het woonadres van eiseres op 15 januari 2025 en afzonderlijke gesprekken met eiseres en [naam 2] op 27 mei 2025. De bevindingen van het onderzoek zijn in een handhavingsrapportage van 18 juni 2025 neergelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking en terugvordering
4. De intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering vormen voor eiseres belastende besluiten. Daarom moet de Svb aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan. Dit betekent dat de Svb de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.1.
In dit geval gaat het erom, gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, dat de Svb aannemelijk maakt dat eiseres gedurende de te beoordelen periode, die loopt van 1 juni 2024 (de datum met ingang waarvan de Svb de nabestaandenuitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd) tot en met 8 juli 2025, op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam 2] .
4.2.
Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de Anw sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3.
Vaststaat dat uit de relatie van eiseres en [naam 2] op [geboortedatum] 2024 een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres en [naam 2] een gezamenlijke huishouding voerden is daarom, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw, bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
4.4.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. [1]
5. Eiseres voert in beroep aan, samengevat weergegeven, dat de onderzoeksbevindingen van de Svb onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat [naam 2] gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Zij verwijst hierbij onder meer naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Waarnemingen
6. De rechtbank stelt vast dat handhavingsmedewerkers van de Svb in de periode van 12 november 2024 tot en met 13 januari 2025 in totaal 22 waarnemingen hebben verricht bij het woonadres van eiseres. Hierbij hebben zij de auto van [naam 2] 18 keer wel en 4 keer niet aangetroffen. De waarnemingen zijn meermaals vroeg in de ochtend of laat in de avond verricht.
6.1.
Eiseres heeft hierover op 27 mei 2025 verklaard: “De keren dat hij voor mijn deur stond heb ik geen idee van. Ik kan zijn leven niet leven. Hij deed dat om te stangen. Hij was op dat moment niet bij mij. En waar hij verder was weet ik niet. Het kan voorkomen dat hij een enkele keer wel bij [mij] is geweest en is dan ook blijven slapen. […].” [2] [naam 2] heeft hierover op 27 mei 2025 als volgt verklaard: “Het kan zo zijn dat ik bij mijn vader ben geweest. Er is ook een periode geweest dat de kleine de hele nacht wakker is geweest. Ik ben dan daar geweest voor mijn dochter. Daar heb ik een paar keer op de bank geslapen. Mijn auto is in november 2024 stuk geweest. Mijn auto is toen in de garage geweest.” [3]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres en [naam 2] geen bevredigende verklaring hebben gegeven voor het feit dat de auto van [naam 2] vele malen bij de woning van eiseres is aangetroffen. De omstandigheid dat de auto van [naam 2] meermaals vroeg in de ochtend en laat in de avond op de parkeerplaats bij de woning van eiseres is waargenomen, is naar het oordeel van de rechtbank een sterke indicatie dat [naam 2] ook ’s nachts op het woonadres van eiseres verbleef.
6.3.
De Svb heeft de waarnemingen dan ook mogen betrekken bij het standpunt dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Hierbij is wel van belang dat de waarnemingen zijn verricht vanaf 12 november 2024. Over de periode die daaraan voorafgaat leveren deze waarnemingen geen bewijs op.
Buurtonderzoek
7. De rechtbank stelt vast dat handhavingsmedewerkers van de Svb bij het buurtonderzoek in [plaats 1] op 3 april 2025 in totaal met 5 buurtbewoners hebben gesproken, van wie 3 bewoners hun schriftelijke verklaring hebben ondertekend.
7.1.
Buurtbewoner 1 heeft onder meer verklaard dat hij/zij ervan overtuigd is dat [naam 2] permanent bij eiseres verblijft.
7.2.
Buurtbewoner 2 heeft onder meer verklaard dat [naam 2] nog steeds iedere dag bij eiseres is. Hij/zij ziet dat ze samen boodschappen doen en dat [naam 2] de oudste dochter naar paardrijden brengt. [naam 2] laat haar hond uit en hij is vorig jaar het hele jaar bijna iedere dag wel op het adres geweest. Hij/zij weet dat [naam 2] er overdag is, want dan ziet hij/zij [naam 2] lopen. Hij/zij weet niet of [naam 2] er in de nacht is.
7.3.
Buurtbewoner 3 heeft onder meer verklaard niet te weten of [naam 2] bij eiseres woont, maar hij/zij ziet hem daar wel vaak. Hij/zij denkt dat [naam 2] wel 3 à 4 dagen bij eiseres is en dat [naam 2] altijd zijn auto op een plek parkeert waar die niet mag staan tussen de schuren voor hun huis, en dat [naam 2] nu zijn auto ook op het parkeerterrein achter de woningen zet.
7.4.
Buurtbewoner 4 heeft verklaard dat op [nummer] een alleenstaande moeder met twee heel lieve kinderen woont.
7.5.
Buurtbewoner 5 heeft verklaard alleen te weten dat er een moeder woont met twee kleine kinderen en verder geen idee te hebben.
7.6.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat deze verklaringen geen eenduidig beeld opleveren. Terwijl buurtbewoners 4 en 5 hebben verklaard dat op het woonadres een alleenstaande moeder met 2 kinderen woont, heeft buurtbewoner 3 verklaard te denken dat [naam 2] 3 à 4 dagen (per week) op het woonadres is en hebben buurtbewoners 1 en 2 verklaard dat hij daar permanent/iedere dag is. Verder is de verklaring van buurtbewoner 1, dat hij/zij ervan overtuigd is dat [naam 2] permanent op het woonadres verblijft, naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar. Onduidelijk is namelijk of die verklaring is gebaseerd op feitelijke waarnemingen of op aannames en vermoedens. De handhavingsmedewerkers hebben ook niet doorgevraagd waarop de overtuiging dat [naam 2] daar permanent woont is gebaseerd. Datzelfde geldt voor de verklaringen van buurtbewoner 3, die heeft verklaard te denken dat [naam 2] 3 à 4 dagen bij eiseres verblijft. Ook hier is niet duidelijk of die verklaring is gebaseerd op feitelijke waarnemingen of op aannames en vermoedens. Buurtbewoner 2 heeft concreter en gedetailleerder verklaard, maar staat hierin dus wel alleen en heeft verklaard niet te weten of [naam 2] daar echt woont of dat hij elke avond weer weggaat.
7.7.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitkomsten van dit buurtonderzoek slechts in zeer beperkte mate kunnen bijdragen aan de conclusie van de Svb dat [naam 2] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
Overige onderzoeksbevindingen
8. Niet in geschil is dat het nutsverbruik op het adres van [naam 2] aanzienlijk is afgenomen. Het gasverbruik van [naam 2] is van 1077 m3 in 2021 stapsgewijs gedaald naar 119 m3 in 2024. Het verbruik van elektriciteit is eveneens stapsgewijs gedaald van 954 kWh in 2021 naar 249 kWh in 2024. [naam 2] heeft hiervoor geen bevredigende verklaring kunnen geven.
8.1.
Daarbij is van belang dat tegelijkertijd het waterverbruik op het adres van eiseres juist aanzienlijk is gestegen. Eiseres heeft hiervoor geen bevredigende verklaring kunnen geven.
8.2.
Het nutsverbruik kan om die reden aangemerkt worden als steunbewijs dat [naam 2] in de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres.
9. Daarnaast staat vast dat [naam 2] vanaf 11 januari 2024 lid is van een sportschool in [plaats 1] , die hij in 2024 in totaal 96 keer heeft bezocht, en dat hij sinds 17 februari 2023 niet meer naar zijn vorige sportschool in [plaats 3] is gegaan. Desgevraagd heeft [naam 2] tijdens het gesprek op 27 mei 2025 ook verklaard dat hij zijn sportschoolabonnement heeft omgezet, omdat hij in de buurt van zijn kind wilde zijn. [4]
9.1.
Deze onderzoeksbevindingen kunnen als steunbewijs worden aangemerkt.
10. Uit het onderzoek naar de pinbetalingen van [naam 2] blijkt dat hij in 2022 dubbel zoveel pinbetalingen in [plaats 1] deed als in [plaats 2] : 128 tegen 64. In 2023 was het aantal pinbetalingen in [plaats 1] toegenomen tot 171, tegen 14 in [plaats 2] . In 2024 heeft [naam 2] 126 pinbetalingen in [plaats 1] gedaan, tegen 8 in [plaats 2] . Desgevraagd heeft [naam 2] hiervoor geen bevredigende verklaring gegeven. [naam 2] heeft slechts als volgt verklaard: “[…] Als ik naar de sportschool ga dan ga ik daarna naar de [supermarkt] om een bakje kwark te halen. Ik heb niet veel nodig.” [5]
10.1.
Daarom kan ook het pingedrag van [naam 2] aangemerkt worden als steunbewijs dat hij zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
11. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt verder dat [naam 2] het woonadres van eiseres heeft gebruikt om pakketjes op zijn naam te laten bezorgen. Gedurende een periode van bijna 2 jaar heeft hij het adres van eiseres daarvoor 18 keer gebruikt, bij drie online winkels. Dit kan eveneens als steunbewijs worden aangemerkt dat [naam 2] zijn hoofdverblijf op het adres van eiseres heeft gehad.
Conclusie over intrekking en terugvordering
12. De rechtbank is van oordeel dat de Svb uitsluitend aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij eiseres had, voor de periode vanaf 12 november 2024. Vanaf dat moment heeft de Svb namelijk waarnemingen verricht bij het woonadres van eiseres en die waarnemingen leveren, in samenhang met alle overige hiervoor besproken onderzoeksbevindingen, voldoende feitelijke grondslag op voor de conclusie dat aannemelijk is dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Eiseres heeft, door niet te melden dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij haar had, de inlichtingenverplichting geschonden. Dit betekent dat de Svb gehouden was de nabestaandenuitkering van eiseres op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw in te trekken per 12 november 2024 en de door eiseres ten onrechte ontvangen uitkering terug te vorderen op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw.
12.1.
Voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024 heeft de Svb niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Weliswaar zijn er aanwijzingen dat dit het geval was, maar dat is onvoldoende. De Svb heeft de uitkering van eiseres dus ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd over die periode.
13. Eiseres heeft ook aangevoerd dat bij het huisbezoek op 15 januari 2025 geen sprake was van ‘informed consent’. De rechtbank zal deze beroepsgrond niet bespreken, omdat het oordeel dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] vanaf 12 november 2024 zijn hoofdverblijf had op het woonadres van eiseres, niet is gebaseerd op gegevens die de Svb bij het huisbezoek heeft verzameld. Dat huisbezoek was er overigens ook niet op gericht om de situatie in de woning vast te leggen, maar om eiseres en [naam 2] te spreken.
Boete
14. Het oordeel dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] vanaf 12 november 2024 zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft gehad, brengt niet automatisch mee dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in het kader van de opgelegde boete een vaststaand gegeven is. [6]
14.1.
Artikel 6, tweede lid, van het EVRM [7] bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een vervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze waarborg brengt mee dat het bestuursorgaan feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet bewijzen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting een uitkering tot het benadelingsbedrag onverschuldigd is betaald. In geval van twijfel dient aan de ontvanger van de uitkering het voordeel van de twijfel te worden gegund. [8]
14.2.
De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde, is dus zwaarder dan die bij intrekking en terugvordering van de uitkering. In het kader van de boeteoplegging dient de Svb aan te tonen – en dus niet slechts aannemelijk te maken – dat [naam 2] zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
14.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb niet aan deze bewijslast voldaan. De verwijzing van de Svb naar de besluitvorming – met onderliggende motivering – betreffende de intrekking en terugvordering is onvoldoende. De rechtbank verwijst naar de overwegingen over de afzonderlijke onderzoeksbevindingen hiervóór.
14.4.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Svb niet heeft aangetoond dat [naam 2] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf bij eiseres had en dat er dus sprake was van een gezamenlijke huishouding. De boete kan geen standhouden.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024, de terugvordering (als geheel) en de boete (als geheel). De rechtbank herroept het besluit van 8 juli 2025 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024. De rechtbank herroept het besluit van 20 augustus 2025 voor zover het de boete betreft en bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2025 neemt voor zover het de terugvordering betreft, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
15.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de Svb aan eiseres het betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet de Svb een proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 3.200,-, namelijk € 1.868,- voor de proceskosten in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1) en € 1.332,- voor de proceskosten in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bewaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de telefonische hoorzitting van 9 december 2025 met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 2026 gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 januari 2026 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024, de terugvordering (als geheel) en de boete (als geheel);
  • herroept het besluit van 8 juli 2025 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 november 2024;
  • herroept het besluit van 20 augustus 2025 wat betreft de boete;
  • bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2025 neemt voor zover het de terugvordering betreft, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
  • bepaalt dat de Svb het griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt de Svb tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van drs. S.S. Mazaheri, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1063.
2.Zie het gespreksverslag van 27 mei 2025 met eiseres, p. 3.
3.Zie het gespreksverslag van 27 mei 2025 met [naam 2] , p. 3.
4.Zie het gespreksverslag van 27 mei 2025 met [naam 2] , p. 3.
5.Zie het gespreksverslag van 27 mei 2025 met [naam 2] , p. 4.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2451) en 28 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3024).
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024.