Appellant ontving sinds 2003 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering per 1 september 2005 in en vorderde te veel betaalde bedragen terug, omdat appellant volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met X, moeder van zijn jongste zoon, zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit grotendeels in stand. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat de Svb onvoldoende feiten en omstandigheden had onderzocht om het gezamenlijke hoofdverblijf van X op het uitkeringsadres aannemelijk te maken.
De Raad stelde vast dat inschrijving in bevolkingsregisters en formulieren voor kinderbijslag onvoldoende bewijs vormen zonder aanvullend onderzoek zoals buurtonderzoek of een gesprek met X. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het intrekkings- en terugvorderingsbesluit, waarbij appellant het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.