Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Inleiding
Overwegingen
- een berging van 5 m²;
- een aanbouw van 11 m².
- [adres 2] , verkocht op 26 oktober 2021 voor € 695.777,-;
- [adres 3] , verkocht op 18 maart 2022 voor € 742.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 3 december 2021 voor € 775.000,-;
- [adres 5] , verkocht op 9 september 2022 voor € 598.000,-.
De door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen
€ 621.000,-. De woning is in dit rapport vergeleken met drie woningen in [plaats] :
- [adres 6] , verkocht op 14 oktober 2022 voor € 607.000,-
- [adres 7] , verkocht op 16 februari 2023 voor € 615.000,-
- [adres 2] , verkocht op 29 oktober 2021 voor € 695.777,-
[adres 7]te ver van de waardepeildatum is verkocht, namelijk in februari 2023, en daarom volgens hem niet bruikbaar is om als onderbouwing te dienen. Ten aanzien van de referentiewoning aan
[adres 6]heeft de taxateur ter zitting uitgelegd dat wanneer deze bij de vier andere referentiewoningen zou worden gevoegd, de woning van eiser nog steeds een lagere m2-prijs zou hebben dan het gemiddelde van de vijf referentiewoningen. Ook dan blijkt uit de taxatiematrix dat de WOZ-waarde van de woning van eiser niet te hoog is vastgesteld.
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiser niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [6]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser.
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.