ECLI:NL:RBMNE:2026:4825

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/1490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen herbeoordeling arbeidsongeschiktheid WIA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat deze niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek om herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA. De rechtbank had eerder op 17 juli 2025 een termijn gesteld waarbinnen het UWV moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder dat een besluit is genomen.

De rechtbank overweegt dat het UWV vanwege een tekort aan verzekeringsartsen niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen beslissen en stelt daarom een nieuwe beslistermijn van twee maanden vast, aansluitend bij eerdere jurisprudentie. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

De rechtbank wijst erop dat de verbeurde dwangsom niet automatisch wordt uitbetaald en dat eiser zich tot de civiele rechter moet wenden indien betaling uitblijft. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen twee maanden alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1490

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Kaya),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk binnen twee maanden een beslissing te nemen op het verzoek van eiser.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2025 [UTR 25/3883] een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
3. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiser.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [3] De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Dat sprake is van een tweede beroep niet tijdig beslissen, is voor de rechtbank vooralsnog geen reden om een kortere termijn te hanteren.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Voor een hogere dwangsom ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding. Er is bij het UWV geen sprake van weigerachtigheid, maar een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiser rechtvaardigt niet een hogere dwangsom.
7. Eiser vraagt de rechtbank om de verbeurde dwangsom van € 15.000, - vast te stellen. Dit is niet nodig aangezien verbeuring van rechtswege geschiedt. De rechtbank overweegt verder dat zij binnen haar bevoegdheden in dit beroep ook geen mogelijkheden heeft om verweerder te verplichten tot uitbetaling van de toegekende dwangsom. Het uitbetalen van een toegekende dwangsom is namelijk een feitelijke handeling en niet een besluit in de zin van de Awb. Als verweerder de dwangsom niet betaalt, zal eiser zich moeten wenden tot de civiele rechter.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiser.
9. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan
eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.