ECLI:NL:RBMNE:2026:4827

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2163
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over te late beslissing UWV op bezwaar en dwangsom

Topbrands Europe B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV en stelde het bestuursorgaan in gebreke vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de ingebrekestelling tijdig is verzonden en ontvangen, ondanks aanvankelijke betwisting door het UWV.

De rechtbank stelt vast dat het UWV in gebreke is gebleven en legt een dwangsom van maximaal €1.442,- vast voor de periode van 42 dagen waarin het UWV te laat was met beslissen. Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, wordt een termijn van vier maanden gegeven om alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast wordt een dwangsom van €100,- per dag vastgesteld voor elke dag dat de nieuwe termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000,-. Het griffierecht en proceskosten worden aan eiseres toegekend. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen en een dwangsom wordt vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

Topbrands Europe B.V., gevestigd te Oud-Beijerland, eiseres

(gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 13 maart 2026 dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 26 februari 2025 tegen het besluit van 18 februari 2025.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 26 maart 2026.
Eiseres heeft een reactie op dit verweerschrift gegeven op 11 mei 2026. Daarop heeft verweerder gereageerd op 1 juni 2026.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 26 februari 2025.
Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 26 februari 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 26 maart 2026. Per fax van 2 januari 2026 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
4. Verweerder heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat hij de ingebrekestelling niet heeft ontvangen en daarom dus ook geen ontvangstbevestiging heeft uitgegeven.
5. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2018:2254) ligt het risico dat een niet aangetekend verzonden brief de geadresseerde niet bereikt bij de afzender. Het ligt dus op de weg van eiseres om de verzending van de ingebrekestelling aannemelijk te maken. Eiseres is daarom in de gelegenheid gesteld een bewijs van verzending van de ingebrekestelling in te zenden. Bij bericht van 11 mei 2026 heeft eiseres een bijlage toegevoegd met een verzendingsrapport van een faxopdracht. Uit dit rapport blijkt dat de ingebrekestelling succesvol verzonden is aan verweerder.
6. Op 1 juni 2026 heeft verweerder gereageerd op het bewijs van verzending van eiseres. Uit deze brief blijkt dat verweerder inmiddels accepteert dat de ingebrekestelling daadwerkelijk is verstuurd en dat er iets fout is gegaan bij de ontvangst bij het UWV.
7. De rechtbank gaat er ook vanuit dat verweerder in gebreke is gesteld. Er is dan ook sprake van een ontvankelijk beroep, nu er voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
8. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
9. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld.
De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
10. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
11. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
12. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

13. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
15. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).