Uitspraak
17.4842 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van griffierecht voor procedures tegen Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. Het bestuur stelde de aanvraag buiten behandeling omdat appellant niet tijdig de gevraagde aanvullende stukken had ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij de stukken tijdig had verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken met concrete en verifieerbare gegevens. Het risico dat een niet aangetekend verzonden brief niet aankomt, ligt bij de afzender.
De Raad oordeelde dat het bestuur op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en dat het bestuur dit ook redelijk had toegepast. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens niet tijdige aanlevering van gevraagde stukken; hoger beroep wordt afgewezen.