AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling inzageverzoek persoonsgegevens bij NCTV onder AVG
Eiser heeft een verzoek ingediend om inzage in zijn persoonsgegevens die door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) zijn verwerkt. De minister heeft dit verzoek deels toegewezen, waarna eiser beroep instelde tegen de gedeeltelijke afwijzing.
De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit voldoet aan artikel 15 vanPro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De minister heeft een overzicht verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens, inclusief verwerkingsdoelen, ontvangers en context, aangevuld met deels gelakte kopieën van documenten. De rechtbank oordeelt dat deze informatie voldoende is om eiser in staat te stellen zijn rechten uit de AVG uit te oefenen.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende informatie gaf over de specifieke verwerkingsgrondslagen, het delen met buitenlandse instanties, en de ontvangers tot op afdelings- of functieniveau. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat de naam van de ontvanger volstaat, niet de afdeling of functionaris.
Ook over de niet bekendgemaakte naam van de gemeente die de aanvraag deed, oordeelt de rechtbank dat dit geen persoonsgegeven van eiser is en dat de minister terecht deze informatie niet heeft verstrekt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn inzageverzoek bij de NCTV wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2541
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en
de minister van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. Y. el Harrak en mr. M. Raijmakers).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke toewijzing van zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 vanPro de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG). Het verzoek ziet op zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Eiser vindt dat de minister te weinig informatie heeft verstrekt over de (context van de) verwerking van die persoonsgegevens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de inzage die de minister heeft gegeven in de verwerking van de persoonsgegevens van eiser door de NCTV voldoet aan de eisen die artikel 15 vanPro de AVG daaraan stelt. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om inzage in zijn persoonsgegevens die door de NCTV zijn verwerkt. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 november 2023 deels toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 28 januari 2025 heeft de minister de processtukken overgelegd. De minister heeft met een beroep op artikel 8:29 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de bestuursrechter kennis mag nemen van een deel van deze stukken. De bestuursrechter handelt alsof de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, nu de stukken onderdeel zijn van een procedure op grond van de AVG en de stukken daarmee inzet zijn van het geding. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om bij de beoordeling in dit beroep van de geheimgehouden informatie kennis te nemen.
2.3.
De minister heeft op 20 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft de minister in het bestreden besluit overwogen?
3. In het bestreden besluit verwijst de minister naar het primaire besluit omdat daarin een overzicht is gegeven van de verwerkte persoonsgegevens van eiser, weergegeven per proces. Daarbij is aangegeven met welk doel de persoonsgegevens zijn verwerkt, aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en wat de bron is van de gegevens. Ook is er een nadere duiding van de context van de verwerking gegeven en heeft de minister aanvullend deels gelakte kopieën van de onderliggende stukken verstrekt. De minister overweegt in het bestreden besluit dat hij daarmee conform de AVG (een meer dan) volledig inzicht heeft gegeven in de verwerkte persoonsgegevens van eiser. Alle vragen die eiser had over de context van de verwerking van die persoonsgegevens zijn volgens de minister in het primaire besluit beantwoord. Er is bij het primaire besluit een lijst gegeven van de specifieke ontvangers van de persoonsgegevens. Met die informatie wordt eiser voldoende in staat geacht om zijn rechten op grond van de AVG te kunnen uitoefenen. Over de onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van eiser in het kader van proces 4 is hij geïnformeerd. De persoonsgegevens van eiser zijn uit het betreffende document in het archief van de NCTV verwijderd. De (on)rechtmatigheid van de verwerking in de processen 1, 2 en 3 maakt volgens de minister verder geen onderdeel uit van het huidige verzoek om inzage. Als eiser bezwaar wil maken tegen de opslag of verdere verwerking van zijn persoonsgegevens, staan daarvoor andere rechtsmiddelen open. Voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van artikel 15 vanPro de AVG?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte geen volledige inzage heeft gegeven in de ten aanzien van hem verwerkte persoonsgegevens. Volgens eiser is het doel van de verwerkingen te algemeen geformuleerd door slechts te verwijzen naar wettelijke bevoegdheden en algemene taken van de NCTV. Eiser wil specifiek weten waarom zijn gegevens in de betreffende context zijn verwerkt en gedeeld met derden. In die zin heeft de minister volgens eiser onvoldoende antwoord gegeven op de vragen 2 en 4 die hij heeft gesteld in zijn aanvraag en in het bezwaarschrift (namelijk (vraag 2) op basis van welke grondslag die persoonsgegevens zijn opgeslagen en gedeeld en (vraag 4) waarom de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld). Eiser wil ook opheldering waarom zijn gegevens zijn gedeeld met buitenlandse instanties. Ook vindt eiser dat te veel informatie in de kopieën is gelakt. Eiser wil alles in kunnen zien, met uitzondering van de persoonsgegevens van derden. Volgens eiser zijn de persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt en is volledige inzage nodig om zijn overige rechten uit de AVG te kunnen uitoefenen.
Verder wil eiser van een aantal van de weergegeven ontvangers van proces 2 en 3 weten met welke afdelingen of functionarissen de gegevens van de NCTV zijn gedeeld. Het is volgens eiser noodzakelijk om die informatie te verkrijgen, omdat een inzageverzoek bij die instanties, zonder daarbij te vermelden om welke afdelingen het gaat, niet in behandeling wordt genomen. Tot slot wil eiser weten welke gemeente de aanvraag heeft gedaan die heeft geleid tot de verwerkingen van zijn persoonsgegevens bij de NCTV als genoemd in proces 4.
5. De rechtbank overweegt over het eerste punt van eiser - dat hij niet volledig inzage heeft gekregen - dat een aanvrager op grond van artikel 15 vanPro de AVG het recht heeft op inzage in de hem betreffende persoonsgegevens en om informatie te verkrijgen over onder meer de verwerkingsdoelen en de categorieën van persoonsgegevens. Daarbij wordt een kopie verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens. [1] Volgens vaste rechtspraak [2] betekent het recht op inzage niet dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. Deze kopie moet alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de aanvrager in staat te stellen de rechten die hij aan de AVG ontleent daadwerkelijk uit te oefenen en moet de persoonsgegevens dus volledig en getrouw reproduceren. [3] Het inzagerecht heeft verder niet als doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren; voor toegang tot documenten over bestuurlijke aangelegenheden kan een verzoek worden ingediend op grond van de Wet open overheid. Het inzagerecht heeft tot doel dat iemand zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [4]
5.1
De rechtbank volgt eisers stelling dat de vragen 2 en 4 onvoldoende beantwoord zijn niet. In het primaire besluit is in het overzicht per proces een omschrijving van het persoonsgegeven vermeld en wordt inzicht gegeven in welke context dat persoonsgegeven is verwerkt. Ook worden de verwerkingsdoeleinden per groep verwerking vermeld en met welke instanties de persoonsgegevens zijn gedeeld. In de beslissing op bezwaar zijn de vragen over het doel van de verwerking verder beantwoord. Gelet op de hiervoor besproken rechtspraak kon de minister daarmee volstaan. Dat eiser meer context had willen hebben over de redenen waarom zijn persoonsgegevens zijn verwerkt vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk, maar de gronden die zich daartegen richten zien feitelijk op de rechtmatigheid van de verwerking van die persoonsgegevens. Dat is een toets die niet onder de reikwijdte van de beoordeling van het inzageverzoek valt. De rechtbank kan hier dan ook geen uitspraak over doen. Eiser kan deze toets (en die van andere rechten) op basis van de AVG laten verrichten. [5]
5.2
Voor zover eiser opheldering vraagt over het delen van zijn persoonsgegevens met buitenlandse instanties, verwijst de rechtbank naar de voorgaande overwegingen. De minister mocht volstaan met het noemen van de doelen van deze verwerkingen en de gegeven context daarvan. Daarnaast staat ook ten aanzien van deze gegevensdeling de rechtmatigheid van die verwerkingen in deze procedure niet ter discussie.
5.3
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door de minister verstrekte overzicht en de daarbij verstrekte gelakte kopieën van documenten alle noodzakelijke gegevens bevatten om eiser in staat te stellen de rechten die hij aan de AVG ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Daarnaast heeft de minister met het overleggen van deels gelakte kopieën nadere openheid gegeven. De minister heeft de lakkingen terecht op de kopieën aangebracht.
6. Over het tweede punt van eiser - dat de ontvangers van de persoonsgegevens nader gespecificeerd hadden moeten worden naar afdeling of functionaris - overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 15, eerste lid, onder c, van de AVG is bepaald dat het inzagerecht ook het recht op informatie omvat over ‘de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties’. Onder het begrip ‘ontvanger’ verstaat de AVG ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt’. [6] In het arrest Österreichische Post heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) uitgelegd dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is om de identiteit van de ontvangers mede te delen, tenzij het onmogelijk is om hen te identificeren of wordt aangetoond dat de verzoeken om inzage kennelijk ongegrond of buitensporig van aard zijn. Dan hoeft de verwerkingsverantwoordelijke alleen de categorieën van ontvangers mede te delen. [7]
6.1
De rechtbank is van oordeel dat gelet op dit arrest de minister, als hij dat kan, de specifieke ontvangers van de verwerkte persoonsgegevens moet noemen. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit ook heeft gedaan met het weergeven van de namen van de overheidsorganisaties waarmee de persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld. De identiteit van de ontvanger is daarmee bekend geworden bij eiser. De minister heeft niet volstaan met het slechts vermelden van een categorie van ontvangers. Ter illustratie noemt de rechtbank als willekeurig voorbeeld ‘de Belastingdienst’ als een specifieke ontvanger (waarmee duidelijk is welke organisatie gegevens heeft ontvangen), terwijl ‘de overheid’ een voorbeeld is van een categorie van ontvangers (waarmee slechts duidelijk is dat een organisatie binnen deze categorie gegevens heeft ontvangen, maar niet duidelijk is welke organisatie dit is). De rechtbank volgt hiermee het onderscheid dat ook wordt gemaakt in het arrest Österreichische Post. Daarin heeft het HvJ namelijk overwogen dat als de naam van de specifieke ontvangers van de persoonsgegevens bekend is, niet mag worden volstaan met een algemene categorie ontvangers (in het geval van het arrest: adverteerders die actief zijn in verzend- en fysieke handel, IT-bedrijven, adreshandelaars en verenigingen zoals charitatieve instellingen, ngo’s en politieke partijen). Dat heeft de minister dus ook niet gedaan. Dat de minister naast de naam van de ontvangende instantie ook inzage zou moeten geven in welke afdelingen of functionarissen het product hebben ontvangen, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het arrest. De rechtbank vindt ook steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025. [8] Uit het arrest volgt ook niet dat de namen van de specifieke functionarissen moeten worden gedeeld, en eiser heeft bovendien tijdens de zitting aangegeven dat hij daar niet naar op zoek is.
6.2
De rechtbank begrijpt uit de verklaringen van eiser tijdens de zitting dat het in de praktijk lastig is om bij een aantal van de in het overzicht genoemde overheidsinstanties inzageverzoeken te doen zonder de specifieke afdelingen te noemen die de persoonsgegevens hebben ontvangen. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat het onmogelijk is om zijn rechten op grond van de AVG uit te oefenen met de informatie die aan hem verstrekt is. In dit kader vindt de rechtbank van belang dat eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat hij tot nu toe de stukken die hij van de NCTV heeft ontvangen niet heeft ingediend bij de desbetreffende overheidsorganisaties en daar ook geen melding van heeft gemaakt bij de desbetreffende overheidsorganisaties, terwijl dat bij de organisaties wel duidelijkheid kan verschaffen over om welke verwerkingen van zijn persoonsgegevens het gaat. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser bang is voor een “sneeuwbaleffect” dat daarvan kan uitgaan, betekent dat op zichzelf niet dat de minister hem meer informatie had moeten verschaffen. Voor zover eiser bij de overheidsinstanties geen antwoorden krijgt, heeft hij ook nog de mogelijkheid om aan te geven welke persoonsgegevens (of een deel daarvan) door die instanties van de NCTV zijn ontvangen, zonder de betreffende stukken mee te sturen. Ook kan hij tegen een beslissing in dat kader in bezwaar en of in beroep gaan. In dat laatste geval heeft hij de mogelijkheid om de stukken van de NCTV als processtuk in te dienen met een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 vanPro de Awb. Op die manier kan het door eiser gevreesde “sneeuwbaleffect” worden beperkt.
7. Ten slotte overweegt de rechtbank over de niet nader genoemde naam van de gemeente die de aanvraag heeft gedaan die heeft geleid tot de verwerking genoemd in proces 4 als volgt. De minister heeft toegelicht dat gemeenten de mogelijkheid hebben om een aanvraag te doen bij de NCTV om bepaalde ontwikkelingen, fenomenen of trends die zich in de betreffende gemeente voordoen te duiden. Volgens de minister heeft de betreffende gemeente in de aanvraag geen persoonsgegevens van eiser genoemd, maar zijn er naar aanleiding van die aanvraag wel interne mails gestuurd tussen medewerkers van de NCTV waar eiser wel in genoemd is. Eiser heeft de rechtbank verzocht om kennis te nemen van de ongelakte mailwisselingen om de stelling van de minister te controleren dat eiser niet wordt genoemd in de aanvraag.
7.1
De rechtbank heeft kennisgenomen van de geheime stukken en stelt vast dat de betreffende aanvraag van de gemeente niet is overgelegd door de minister. De rechtbank heeft wel kennis kunnen nemen van de ongelakte mailwisselingen tussen de betrokken medewerkers van de NCTV naar aanleiding van de aanvraag. De minister heeft tijdens de zitting verklaard dat de betreffende aanvraag geen persoonsgegevens van eiser bevat, en de rechtbank heeft gelet op de ongelakte versie van de mailwisseling die daarop volgde geen aanleiding om daaraan te twijfelen en de aanvraag op te vragen. Alles in de geheime stukken wijst er namelijk op dat de naam van eiser naar boven is gekomen naar aanleiding van het verzoek van de betreffende gemeente dat ziet op een andere persoon of een andere organisatie. Uit de stukken blijkt niet dat eisers naam of andere persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met de gemeente. De gemeente is dus ook geen ontvanger van dit persoonsgegeven. Om deze redenen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank de naam van de gemeente terecht niet aan eiser bekend gemaakt. Verder geldt dat de naam van de gemeente geen persoonsgegeven van eiser is en uit de mailwisseling ook niet volgt dat die gemeente de bron is van de daarop volgende verwerking van de persoonsgegevens van eiser door de NCTV. [9] Die verwerkingen zijn aan eiser medegedeeld en in kopie verstrekt. Dat de minister deze verwerkingen zelf als onrechtmatig heeft bestempeld, maakt niet dat de naam van de gemeente alsnog openbaar moet worden gemaakt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzitter, en mr. I. Helmich en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Dit staat in het derde lid van artikel 15 vanPro de AVG.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:487.