ECLI:NL:RBMNE:2026:894

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/4583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling tegen dwangsombeschikking parkeerbelasting

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en kreeg op 29 januari 2024 een besluit op bezwaar dat in stand bleef. Vervolgens stelde eiser de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombeschikking, maar deze ingebrekestelling was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

De rechtbank oordeelde dat voor de beslistermijn op bezwaar tegen een dwangsombeschikking moet worden aangesloten bij de beslistermijn van het onderliggende bodemgeschil, hier de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Volgens de Gemeentewet heeft de heffingsambtenaar in dit geval tot het einde van het kalenderjaar 2024 om te beslissen.

Omdat de ingebrekestelling op 10 mei 2024 werd verzonden terwijl de beslistermijn nog liep, was het beroep niet-ontvankelijk. Daarnaast benadrukte de rechtbank dat op grond van vaste rechtspraak geen dwangsom kan worden verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking.

De heffingsambtenaar was niet verschenen op de zitting, maar dit deed niet af aan de ontvankelijkheid van het beroep. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de dwangsombeschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4583

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
en

de heffingsambtenaar van gemeente Hilversum, verweerder.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft eiser een naheffing parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 29 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in stand gelaten. Eiser heeft geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2. Op 13 februari 2024 (hierna: de dwangsombeschikking) heeft de heffingsambtenaar eiser laten weten dat hij eiser geen dwangsom verschuldigd is, omdat hij niet te laat heeft beslist op het bezwaar van eiser tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser heeft hier op 14 maart 2024 bezwaar tegen gemaakt.
3. Op 8 mei 2024, verzonden op 10 mei 2024, heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser tegen de dwangsombeslissing. Eiser heeft op 5 juli 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen de dwangsombeslissing.
4. Dit beroep is op 27 februari 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door mr. J. Piet, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Ondanks dat de rechtbank hem heeft opgeroepen om te komen, is de heffingsambtenaar zonder voorafgaand bericht, niet verschenen op de zitting.

Overwegingen

5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een te vroeg verstuurde ingebrekestelling is geen geldige ingebrekestelling in de zin van het artikel. Het beroep is in dat geval niet-ontvankelijk. De vraag die in deze zaak voorligt is welke beslistermijn gold voor verweerder en, daarmee samenhangend, of de ingebrekestelling te vroeg is verzonden.
6. Op grond van artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Dit is de hoofdregel. Artikel 236 van Pro de Gemeentewet wijkt hiervan af. Op grond van die bepaling doet de heffingsambtenaar uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen, tenzij het bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar. In deze zaak gaat het over de beslistermijn ten aanzien van een bezwaarschrift tegen een dwangsombesluit. De vraag is of de hoofdregel uit de Awb van toepassing of de uitzondering uit de Gemeentewet. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is en zal dat hierna toelichten.
7. Artikel 4:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht strekt ertoe dat een bezwaar of beroep tegen een dwangsombeschikking in beginsel wordt gevoegd in de procedure met betrekking tot het onderliggende, materiële geschil. Dat dient de proceseconomie. In dit geval kan dat niet, omdat de procedure over het onderliggende besluit (de naheffingsaanslag) na de bezwaarfase is geëindigd. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer er over het onderliggende besluit zelf niet (meer) geprocedeerd wordt, de procedurele regels die van toepassing zijn op dat besluit gevolgd worden in de procedure tegen de dwangsombeschikking, in ieder geval voor zover het gaat over welke rechter bevoegd is en welke waarde per punt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. [1]
8. De rechtbank is van oordeel dat hier wat betreft de beslistermijn bij moet worden aangesloten. De rechtbank overweegt verder dat de tekst van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet zich niet tegen deze uitkomst verzet. Er staat namelijk niet dat de bijzondere beslistermijn zich beperkt tot besluiten over lokale heffingen. Wel staat er dat deze beslistermijn alleen voor de heffingsambtenaar (“de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar”) geldt. Dat betekent dat de beslistermijn van de heffingsambtenaar op het bezwaar van eiser tegen de dwangsombeschikking in dit geval tot het einde van het kalenderjaar 2024 liep.
9. De ingebrekestelling die eiser op 10 mei 2024 heeft gestuurd was dus prematuur. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verlopen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
10. De rechtbank merkt tot slot op dat er, anders dan waar eiser van uit lijkt te gaan, op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb geen dwangsom kan worden verbeurd vanwege het niet tijdig vaststellen van een dwangsombeschikking of vanwege het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking. Dit is vaste rechtspraak. [2]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 maart 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof
Arnhem - Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, en de uitspraak het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4899.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7916.