ECLI:NL:RBMNE:2026:894
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling tegen dwangsombeschikking parkeerbelasting
Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en kreeg op 29 januari 2024 een besluit op bezwaar dat in stand bleef. Vervolgens stelde eiser de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombeschikking, maar deze ingebrekestelling was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat voor de beslistermijn op bezwaar tegen een dwangsombeschikking moet worden aangesloten bij de beslistermijn van het onderliggende bodemgeschil, hier de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Volgens de Gemeentewet heeft de heffingsambtenaar in dit geval tot het einde van het kalenderjaar 2024 om te beslissen.
Omdat de ingebrekestelling op 10 mei 2024 werd verzonden terwijl de beslistermijn nog liep, was het beroep niet-ontvankelijk. Daarnaast benadrukte de rechtbank dat op grond van vaste rechtspraak geen dwangsom kan worden verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking.
De heffingsambtenaar was niet verschenen op de zitting, maar dit deed niet af aan de ontvankelijkheid van het beroep. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 6 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de dwangsombeschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.