ECLI:NL:RBMNE:2026:951

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/8380
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing Woo-verzoek inzake documenten bestemmingsplan en ligplaatsen

Eiser heeft op 29 oktober 2024 een Woo-verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Montfoort, waarin hij verzocht om documenten met betrekking tot onderhandelingen en het bestemmingsplan Buitengebied 2012, met name over ligplaatsen en bouwkavels. Het college verstrekte één document en wees de rest van het verzoek af, waarna eiser beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat er geen andere documenten onder haar berusten. Het college heeft uitgebreid gezocht met relevante zoektermen en betrokken ambtenaren geraadpleegd. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zijn die onder het college berusten en die binnen de reikwijdte van zijn verzoek vallen.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek niet beperkt was tot een bepaalde periode en dat het verstrekte document binnen de reikwijdte valt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college onjuist heeft gezocht of documenten achterhoudt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om slechts één document te verstrekken wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8380

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort,verweerder,
(gemachtigde: mr. de Boer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college om naar aanleiding van eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) een document te verstrekken en voor het overige af te wijzen. Aan de hand van eisers verzoek heeft het college één documenten openbaar gemaakt. Eiser is het niet eens met de openbaarmaking van dit document, omdat het niet binnen de reikwijdte van zijn verzoek zou vallen. Daarnaast stelt hij dat zich wel degelijk meer documenten onder het college moeten berusten, die wel onder zijn verzoek vallen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college mocht het document openbaar maken en heeft voldoende gemotiveerd waarom zich niet meer documenten onder haar bevinden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 oktober 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo ingediend bij het college. Het college heeft zes weken de tijd om op het Woo-verzoek te beslissen. Op 9 december 2024 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
2.1.
Op 30 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek (dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/3382).
2.2.
Het college heeft op 5 maart 2025 – hangende het beroep van UTR 24/3382 - een besluit genomen op eisers Woo-verzoek en heeft één document openbaar gemaakt. In het bestreden besluit van 10 juli 2025 – wat ook hangende het beroep niet tijdig is genomen - is eisers bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 10 juli 2025.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Om welke informatie heeft eiser verzocht op grond van de Woo?
3. Eiser heeft in zijn Woo-verzoek van 29 oktober 2024 verzocht om de volgende informatie:
“ambtelijke voorstellen, besluitdocumenten, opdrachten, notities, mailverkeer tussen wethouder [A] , ambtenaar [B] , stedenbouwkundig bureau en ons/wederpartijen voor de opmaak van Bestemmingsplan Buitengebied 2012 met betrekking tot [adressen] . Daarnaast specifiek de overeenkomsten met [eiser] (is er m.i. niet) respectievelijk met [C] (zie overeenkomst uitruil ark-intekenen bouwvlakken 190m2 en 600m2) en de opdracht/instemming om alle artikelen over woonschepenligplaatsen en de ligplaatsen uit de plankaarten te verwijderen.
Ik veronderstel dat deze zaak u voldoende bekend is en verwijs slechts kortheidshalve en niet limitatief naar;
  • Nog lopende dossiers, bij Rechtbank (planschade 2012-2017) en Raad van State, handhaving verwijdering woonark.
  • principeverzoek zaaknummer [nummer] ligplaatsen in bestemmingsplan, 18 januari 2024, waarop nog een uitspraak moet komen. (Verklaring 2 Bestuursrecht - Beroep - [nummer] , afgedrukt: 30-12-2024 11:50 [D] . en samenhang met [adres 1] van Eld ik, een planregeling "IJsseloever")
  • dossier bij Raad van State, herzieningsverzoek planschade 2000-2009 en de oproep voor zitting 13 januari 2024’’
4. Eiser omschrijft in zijn verzoek verder uitgebreid onderhandelingen die in het verleden met opeenvolgende wethouders hebben plaatsgevonden over de uitruil van ligplaatsen voor bouwkavels, welke uiteindelijk in het bestemmingsplan zou moeten worden neergelegd.. De onderhandelingen met eiser en wethouder [A] werden eind 2011 beëindigd, omdat hij op die 600m2 geen 3 bouwmogelijkheden voor eiser in zou laten tekenen. Wethouder [A] verbrak eenzijdig de onderhandelingen en liet volgens eiser eigenmachtig alle bestaande planologische ligplaatsrechten verwijderen in het Bestemmingsplan 2012. Eiser heeft daar nooit toestemming voor gegeven, maar volgens hem stelt het college zich op het standpunt van wel. Eiser beschouwt dit als een integriteitsschending, schending van eigendomsrechten en misbruik van bevoegdheden door wethouder [A] en daarmede de gemeente. [1]
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat zijn Woo-verzoek niet is beantwoord en verkeerd is opgevat. Hij heeft namelijk om een specifieke overeenkomst gevraagd, die er volgens hem niet is, en overige documenten met betrekking tot het Bestemmingsplan 2012. Volgens hem valt het enige document (een mail van eiser aan een ambtenaar bij de gemeente Montfoort) wat wel openbaar is gemaakt buiten de reikwijdte van zijn verzoek. In eisers verzoek zou hij voldoende kenbaar hebben gemaakt dat hij op zoek is naar informatie uit de periode van 2011 tot en met 2013. Om deze reden had dit document niet openbaar gemaakt mogen worden. Verder stelt eiser dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat er binnen de reikwijdte van zijn verzoek verder geen documenten zijn gevonden. De volgende documenten hadden in ieder geval naar boven moeten komen: de nodige documenten rond totstandkoming Bestemmingsplan 2012, overeenkomsten met zoon [C] (met handtekeningen) en brief 3-11-2011 bestuurlijke betrokkenheid (mailverkeer e.d.). Deze documenten zijn niet naar voren gekomen, omdat het college ten onrechte niet heeft gezien dat eiser om documenten en bewijsstukken, heeft gevraagd, op basis waarvan wijzigingen in het Bestemmingsplan 2012 zijn vastgesteld.
Wat vindt het college?
6. Het college heeft in het bestreden besluit uitgelegd hoe is gezocht naar relevante documenten. Op de volgende termen en combinaties daarvan is gezocht: bestemmingplan Buitengebied 2012, planschade, bestemming [nummer] ,
[adres 2] , [adres 3] , [eiser] , instemming, toestemming, uitruil, doorhalen, eigendomsrechten, ligplaatsen, woonboten, woonschepen. Verder is gekeken naar correspondentie van en naar het betrokken stedenbouwkundig bureau en gezocht naar eventueel opgestelde overeenkomsten. Aan de destijds betrokken ambtenaren die nog voor de gemeente Montfoort werken is gevraagd of met betrekking tot het door eiser genoemde onderwerp nog ongearchiveerde e-mails, notulen, interne notities of andere informatie op hen computer aanwezig zijn.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep. Eiser is namelijk op zoek naar de bevestiging dat de documenten die hij zoekt niet bestaan. Hij geeft in zijn verzoek aan dat bij een erkenning van het ontbreken van bewijsstukken de verdere beantwoording van het Woo-verzoek achterwege kan blijven. Het college heeft in de beslissing op het primaire besluit en het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven hoe is gezocht en welke documenten naar aanleiding van die zoekslag naar boven zijn gekomen. Het college heeft hierbij geconcludeerd dat de informatie die wel gevonden is, al openbaar is gemaakt en dat er verder geen informatie is gevonden. Desondanks blijft eiser volgen s het college onvoldoende gemotiveerd aangeven dat niet deugdelijk gezocht zou zijn of welke documenten volgens hem boven water hadden moeten komen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat de e-mail, naar aanleiding van het Woo-verzoek, wel openbaar moet worden gemaakt, omdat de mail onder de reijkwijdte van het verzoek valt en er geen grond is om openbaarmaking te weigeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Ten aanzien van de wel openbaar gemaakte e-mail overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het Woo-verzoek niet is beperkt tot een bepaalde periode, dit volgt namelijk niet uit het verzoek. Het college heeft de e-mail daarom openbaar mogen maken naar aanleiding van het Woo-verzoek. Door eiser is verder niet aangevoerd op grond wan welke weigeringsgrond in de Woo openbaarmaking toch achterwege had moeten blijven.
9. De rechtbank stelt voorts vast dat het Woo-verzoek van eiser niet ziet op de totstandkoming van het Bestemmingsplan als geheel. Eiser heeft zijn verzoek namelijk gespecificeerd tot een verzoek om ambtelijke voorstellen, besluitdocumenten, opdrachten, notities en mailverkeer (tussen wethouder [A] , ambtenaar [B] , stedenbouwkundig bureau en hem/ zijn zoon) voor de opmaak van Bestemmingsplan Buitengebied 2012
, ten aanzien van [adressen] .
10. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat meer documenten onder het college berusten over dit specifieke onderwerp. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Dit heeft eiser nagelaten. Eiser heeft de zoekslag niet voldoende gemotiveerd betwist, omdat hij onder andere niet heeft uitgelegd waarom de door hem genoemde documenten - naar aanleiding van dit huidige verzoek - openbaargemaakt hadden moeten worden, en niet heeft uitgelegd waarom de documenten wel degelijk vindbaar zouden moeten zijn. Het college stelt namelijk dat de informatie die wel is gevonden, al openbare informatie betreft of dat de informatie überhaupt niet vindbaar is. De door het college gehanteerde zoektermen geven de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat de zoekslag evident onjuist is verricht. De rechtbank is het verder met het college eens dat eiser in zijn verzoek niet om
allenodige documenten rond totstandkoming van Bestemmingsplan 2012 vraagt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie eerdere procedures over de ligplaatsen: ECLI:NL:RVS:2005:AT5368, ECLI:NL:RVS:2022:1148 (planschade), ECLI:NL:RVS:2023:1260, ECLI:NL:RVS:2025:526 (herziening RVS:2022:1148 planschade) en ECLI:NL:RVS:2025:5100.