ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ6601
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van successierecht als kosten bij inkomstenbelasting na kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Eiseres, enig erfgenaam van haar overleden broer, stelde beroep in tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over 2009. De kern van het geschil betrof de vraag of het geheven successierecht over een uitkering uit een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule aftrekbaar is als kosten in de zin van artikel 3.108 van de Wet IB 2001.
De rechtbank stelde vast dat de uitkering niet was aangewend voor de aankoop van een lijfrente, waardoor sprake was van een afkoop en inkomstenbelasting verschuldigd was over de uitkering. Uit de wetshistorie en parlementaire stukken bleek dat de wetgever geen wijziging beoogde in de aftrekbaarheid van kosten van uitkeringen en verstrekkingen ten opzichte van de oude wet. De rechtbank concludeerde dat het successierecht als kosten tot verwerving kan worden aangemerkt en dus aftrekbaar is.
De rechtbank verwierp het verweer van verweerder dat het successierecht niet aftrekbaar zou zijn en benadrukte dat de ministeriële goedkeuringen voor latentie van inkomstenbelasting bij afkoop van stamrechten niet direct op de wet berusten en niet tegen de aftrekbaarheid kunnen worden ingebracht. Gezien het voorgaande werd de aanslag ib/pvv verminderd en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig aangepast.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het geheven successierecht aftrekbare kosten zijn, waardoor de aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd.