Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep ongegrond.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende erfde een kapitaal uit een kapitaalverzekering na het overlijden van haar broer. De kapitaalverzekering was afgesloten met een lijfrenteclausule die niet werd uitgevoerd, waardoor het kapitaal direct werd uitgekeerd. De inspecteur legde successierecht op de verkrijging van dit kapitaal, waarbij rekening werd gehouden met een aftrek wegens latent verschuldigde inkomstenbelasting.
Belanghebbende stelde dat het aan de verkrijging van het kapitaal toe te rekenen deel van de aanslag successierecht aftrekbare kosten vormde volgens artikel 3.108 Wet IB 2001. De rechtbank oordeelde aanvankelijk anders en stelde de aanslag successierecht lager vast. De inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof overwoog dat het successierecht niet is verschuldigd ter zake van een met inkomstenbelasting te belasten bate, maar voor de verkrijging van een vermogensbestanddeel. De aftrekbaarheid van successierecht als kosten van een uitkering of verstrekking is niet van toepassing in deze situatie. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de inspecteur ongegrond, waarmee het oordeel van de rechtbank werd verworpen.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de inspecteur ongegrond.