Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procesverloop
€ 687.050 en € 1.158.461 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.057,
€ 15.672 en € 21.630. Verweerder heeft bij beschikkingen van dezelfde datum tegelijk met iedere navorderingsaanslag een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting en heffingsrente in rekening gebracht.
2.Tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil en standpunten van partijen
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart de beroepen met de nummers AWB 13/607 tot en met AWB 13/610 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de omzetbelasting en de ib/pvv voor zover deze betrekking hebben op de fictieve afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- vermindert de vergrijpboetes ambtshalve elk met € 2.500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.459,50;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160 vergoedt;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een bedrag van € 500 wegens immateriëleschadevergoeding.
mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.