Eiseres, onderdeel van een olie- en gasconcern, voerde beroep aan tegen een aanslag vennootschapsbelasting waarbij een ontvangen vergoeding van USD 438.375.000 door een mede-aandeelhouder werd betwist als deelnemingsvoordeel. De aandelen in de gezamenlijke dochtervennootschap waren verdeeld over eiseres en de mede-aandeelhouder, waarbij een voorkeursrecht bestond voor aandelenoverdracht.
De rechtbank stelde vast dat eiseres nooit de juridische eigendom of zeggenschapsrechten over de aandelen van de mede-aandeelhouder heeft verkregen en dat het voorkeursrecht niet gelijkgesteld kan worden aan een calloptie. Ook was er geen koopovereenkomst of recht op levering van de aandelen gesloten. De arbitrage-instantie had weliswaar een overdracht gelast, maar dit leidde niet tot een recht op levering.
De vergoeding die eiseres ontving vloeit voort uit een amicable settlement en kwalificeert als een schadevergoeding wegens wanprestatie, niet als een voordeel uit deelneming. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de situaties wezenlijk verschilden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.