Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Pre-emptive purchasing right.The shareholder who wishes to sell its shares shall be liable to offer to the other Shareholder to redeem them, and in the event of a refusal – to the Company itself. Such offer should compromise all conditions of the transaction required by the Effective legislation. In the event of the Company’s and the Shareholder’s refusal, the Shareholder may sell the shares to the Third parties. The refusal of the Shareholder and/or the Company to purchase the shares can be made by way of the conclusion of an appropriate agreement between the Shareholders and the Company.”
Sale of the shares.Conditions for the sale of the shares to the other Shareholder or the Company and the methodics of determination of the value of the shares shall be determined in the appropriate agreement between them. Such agreement shall also determine an order of the transfer of the rights and obligations and an extent of the rights and obligations transferred.”
Restrictions on Assignment. Without prejudice to Article 3, no assignment of any Interest hereunder shall be made by any Shareholder unless such assignment is made in accordance with the provisions of this Article 9:
314 miljoen omdat het [D]-veld per 31 oktober 2005 meer waard blijkt te zijn;
miljoen;
Value of Money).
538 miljoen over de jaren 2004-2007 (Damages);
maar dan niet een bedrag van USD 127 miljoen, maar slechts USD 46,5 miljoen (Time
Value of Money);
van ‘operations and committees’ van USD 3,5 miljoen.
-/- 3.500.000
-/- 86.625.000
2. DISMISSAL OG PROCEEDINGS AND PAYMENT
2.1. The Parties have agreed to resolve their differences by means of executing this Amicable Settlement on the following terms.
(…)
(…)
(…)
5. [H1 Inc.] is opposed to the recognition and enforcement of the award, since such enforcement, as [H1 Inc.] holds, would run counter to Canada’s public policy and would violate the laws of Canada and [E]. Viz, in [H1 Inc.]’s view, a judgement on the recognition and enforcement of the Final and Partial Awards is possible (both with regard to the share transfer and the recovery of damages) solely on condition that and after
- [E] has decided to waive the priority right; and
- The Competent Authority of [E] has issued a permission for the
transfer of the right to use subsoil resources (that is, shares in the subsoil user-company);
and
concentration.
(…)
Risks and Concerns associated with enforcement in [E]
12. Since [H1 Inc.] has its main assets in [E] (including its shares in [D]), in all likelihood, [C] would also have faced the necessity to take actions for enforcement in [E] subsequent to the Canadian proceedings.
(…)
16. Also, [C] was aware that [M] was supportive of [H1 Inc.]’s position. Specifically, [M] communicated to [C] (albeit on an unofficial basis) that it was in fact considering raising with the Government of [E] the issue of the state priority right to [D] shares. This again came as no surprise to [C] since [C] was aware that [M]’ position was probably explained by the fact that [M] owned (and still owns) 33% of [H1 Inc.] (and, hence, [M] was very much interested in [H1 Inc.]’s position prevailing over [C]’s position). [C] disagreed with [M]’ allegations. At the same time, [C] was aware of the [M]’ influence in [E] and, hence, accepted [M]’ allegations as a very serious potential impediment to the enforcement process.”
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
De zogenoemde meetrekregeling genoemd in het vijfde lid van artikel 13 Wet Pro Vpb, is niet van toepassing.
De bezitter van een calloptie heeft een belang bij de waardeontwikkeling van het onderliggende aandeel welk belang tegengesteld is aan het belang van de eigenaar van het aandeel. Het onderhavige voorkeursrecht betreft een persoonlijk recht uit hoofde van de aandeelhoudersovereenkomst, is niet zelfstandig overdraagbaar en het bestaan van het recht is (mede) afhankelijk van de voorwaarde dat sprake is van het voornemen tot een directe overdracht van de aandelen in [D] dan wel een indirecte overdracht (Change of Control) waarbij de “Ultimate Parent Company” een (uiteindelijk) belang van 50% (of meer) in [D] wil overdragen aan een derde. Het onderhavige voorkeursrecht kent ook niet een vooraf vastgestelde uitoefenprijs. De prijs en de voorwaarden waartegen de aandelen worden overgedragen worden pas bekend bij een voorgenomen (indirecte) overdracht waarbij de aandelen worden aangeboden aan de medeaandeelhouder die het voorkeursrecht heeft. Bij het overeenkomen van het voorkeursrecht is dan ook geen prijs of premie betaald, zoals bij het schrijven of bij verkoop van een optierecht of -verplichting wel het geval zou zijn geweest. Met het overeenkomen van het voorkeursrecht is van een vervreemding of opsplitsing van het belang bij de aandelen geen sprake.
van USD 800 miljoen;
agreement’), en
overige formaliteiten die noodzakelijk zijn om de overdracht van de aandelen te voltooien. Uit deze bewoordingen volgt dat partijen nog een overeenkomst dienden te sluiten alvorens tot levering zou worden overgegaan. Anders dan eiseres, leest de rechtbank hierin niet dat de uitspraak van de AISCC op zichzelf bezien de totstandkoming van een koopovereenkomst bevestigt of een recht op levering heeft doen ontstaan. De stelling van eiseres dat de levering van aandelen naar [E] recht slechts een administratieve handeling betreft waarbij de juridische eigendomsoverdracht wordt geregistreerd in het register van de vennootschap, doet aan het voorgaande niet af. Het feit dat het oordeel van de AISCC – zo is niet in geschil en zulks volgt ook uit de Shareholders Agreement – voor partijen bindend is en de omstandigheid dat zowel Canada als [E] partij zijn bij het Verdrag tot erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen (Verdrag van New York 1958), leiden evenmin tot een ander oordeel.
De deelnemingsvrijstelling is derhalve niet van toepassing op de vergoeding. Het gelijk is tot dusverre aan verweerder.”
Aan dit oordeel doet niet af dat [T], gelet op zijn verklaring, mogelijk een andere perceptie heeft gehad van hetgeen op 16 augustus 2010 is overeengekomen. Nu van [T] een schriftelijke verklaring tot de stukken behoort en belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat [T] inhoudelijk niet méér kan verklaren dan hij reeds schriftelijk heeft verklaard, ziet het Hof ook overigens geen reden hem als getuige te horen.
4.3.1. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de vergoeding een voordeel is uit hoofde van een belang van [ C ] in of bij de door [H1 Inc.] gehouden aandelen in [D]. Dit belang dient (‘zelfstandig’) als een deelneming van belanghebbende/[ C ] te worden beschouwd, omdat het
economischniet [H1 Inc.] maar [ C ] aanging. Volgens belanghebbende kwam vanaf het moment van de ‘change of control’ in 2005, en gelet op hetgeen hieromtrent in de aandeelhoudersovereenkomst is bepaald, aan [ C ] een dergelijk belang toe. Op die grond dient de vergoeding als een voordeel uit hoofde van dat (economische) belang te worden beschouwd, hetzij als een vergoeding voor de afkoop van dat belang, hetzij als een doorbetaling van dividenden waarop [ C ] uit hoofde van dat belang recht had. Belanghebbende beroept zich in dit verband onder meer op het arrest HR 22 november 2002, nr. 36.272, ECLI:NL:HR:2002:AD8488, BNB 2003/34 (hierna: het arrest BNB 2003/34).
Belanghebbende acht het niet relevant of door de [E] autoriteiten nog goedkeuring moest worden gegeven voor een daadwerkelijke levering van de aandelen in [D] die [ C ] bij toepassing van het voorkeursrecht in de aandeelhoudersovereenkomst had kunnen verkrijgen. Evenmin acht zij het van belang dat de aanspraak die [ C ] ontleende aan dat voorkeursrecht, kon worden ‘overruled’ door een in de [E] Law on Subsoil and Subsoil Use ten behoeve van de [E] overheid opgenomen voorkeursrecht.