De rechtbank Noord-Holland behandelde een civiele zaak waarin eiser schadevergoeding vorderde wegens letsel opgelopen bij een schietpartij, resulterend in een dwarslaesie. Gedaagden werden reeds hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade. Eiser vorderde een totaalbedrag van €389.047,73 minus een reeds ontvangen vergoeding van €31.800,- uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
De rechtbank oordeelde dat de stelling van gedaagden dat eiser eigen schuld had faalde, omdat het geweld onuitgelokt en buitenproportioneel was. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €130.000,-, gelet op de ernst van het letsel en de langdurige ziekenhuis- en revalidatieperiode. Diverse materiële schadeposten zoals medische kosten, reiskosten en verlies van zelfwerkzaamheid werden deels toegewezen, waarbij de rechtbank onder meer rekening hield met de Wet maatschappelijke ondersteuning en eerdere jurisprudentie.
Voor het verlies aan arbeidsvermogen oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende onderbouwing had geleverd en verwees de zaak naar de rol voor nadere begroting. De rechtbank hield iedere verdere beslissing aan en verwees naar een toekomstige zitting voor nadere behandeling.