Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.(Verkorte weergave van) de feiten
3.Het verzoek
17 april 2016 wordt verwezen.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekster trad op 11 februari 2016 in dienst bij vennootschap 1 als juridisch adviseur voor zes maanden. Op 14 april 2016 werd zij telefonisch op non-actief gesteld en op 17 april 2016 op staande voet ontslagen door de bestuurder van de vennootschap. Het ontslag werd niet onderbouwd met een dringende reden en vond plaats terwijl verzoekster arbeidsongeschikt was, wat in strijd is met het opzegverbod.
Verzoekster vorderde onder meer een billijke vergoeding van € 40.000, een gefixeerde schadevergoeding, achterstallig salaris en bijkomende kosten. Zij stelde dat de werkgever zich schuldig had gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag en onbetrouwbaar was, wat het dienstverband onhoudbaar maakte.
De kantonrechter stelde vast dat het verzoek tijdig was ingediend en dat de vorderingen niet weersproken werden. De werkgever was niet verschenen en had geen verweer gevoerd. De kantonrechter wees de dwangsom af omdat die niet kan worden opgelegd bij veroordeling tot betaling van een geldsom.
De beschikking veroordeelde de werkgever tot betaling van de gevraagde vergoedingen, inclusief een billijke vergoeding met een punitief karakter, achterstallig salaris minus reeds betaald bedrag, wettelijke verhoging, onkostenvergoeding, incassokosten en wettelijke rente. Tevens werden de proceskosten aan de werkgever opgelegd en werd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 40.000 en diverse schadevergoedingen wegens onterecht ontslag op staande voet.